Moergrobben van Theun de Vries

De mens zelf is de moergrob

Theun de Vries (1907-2005) was de getuige van een complexe en intrigerende eeuw. Hij maakte de Russische Revolutie mee, beide wereldoorlogen en de crisisjaren. Hij koos nadrukkelijk voor het communisme, om daar later, diep teleurgesteld, weer afstand van te nemen. In de laatste decennia van zijn leven zag hij, thuis aan de Amsterdamse Egelantiersgracht, op de televisie de Muur vallen en de Twin Towers instorten.

 

‘Ik behoor tot de eigenaardige, gedreven, misschien wel een tikje tragische generatie van de jaren dertig, die voor het communisme gekozen heeft,’ zei hij op zijn zeventigste verjaardag. Theun de Vries was namelijk zijn leven lang een man met een mening, onverzettelijk, koppig. Zijn opponenten bleven hem zijn maatschappelijke opvattingen nadragen, ook nadat hij het lidmaatschap van de CPN had opgezegd. Het beeld van De Vries en zijn schrijverschap is lang gefilterd geweest door die moraliserende blik. In werkelijkheid was hij niet achter één vaandel te vinden.

‘Ik besta uit een merkwaardige combinatie van muzische en bespiegelende kwaliteiten. Ik geloof dat deze combinatie lezers en critici ook in de war brengt. Mensen houden ervan om iemand een etiket  te kunnen geven. Diversiteit is een van mijn eigenschappen, die oorspronkelijk voorkomt uit mijn karakteronrust. Als klein kind was ik al onrustig van karakter en wilde ik ontdekken, zwerven en de wereld van alle kanten bekijken. Deze onrust heb ik altijd gehad en is mijn typische ondergrond.’

Lees verder over Theun de Vries en Moergrobben in de volgende hoofdstukken.

 

Moergrobben van Theun de Vries

Theun de Vries

De Vries publiceerde poëzie, essays en biografieën, maar zijn verhalen en romans zijn het meest bekend geworden. Omvangrijke romans waarin hij de geschiedenis van een bepaalde periode levensecht wist op te roepen. ‘Hij maakte van literatuur geschiedenis en van geschiedenis literatuur,’ zei hoogleraar Ernst Kossmann tijdens de verlening van het eredoctoraat in de letteren aan de Rijksuniversiteit Groningen in 1979. De Vries kreeg dat eredoctoraat als autodidact. Hij maakte het gymnasium niet af en studeerde niet aan de universiteit, maar volgde een bibliotheekopleiding. Voor zijn historische werk documenteerde Theun de Vries zich uitputtend. Zijn geweldige verbeeldingskracht deed de rest. Met enorm elan riep hij uiteenlopende historische periodes tot leven, variërend van het klooster in Yuste waar Karel V zijn laatste dagen sleet tot de turbulente ontwikkelingen in het revolutiejaar 1848. Naast talrijke historische romans publiceerde hij biografische schetsen over personen als Spinoza, Rutger Jan Schimmelpenninck en Karl Marx.

‘Mijn hele werk is één liefdesverklaring aan Moeder Aarde, aan het leven, aan de mensen, aan de mensheid. Het klinkt allemaal een beetje overdreven en het klinkt ook een beetje romantisch, of heel romantisch, maar dat is het dus eigenlijk. Het is een aanhoudende liefdesverklaring aan ieder tijdperk en aan al die mensen die ik daarin beschreven heb.’

De romans van De Vries waaieren meestal breeduit. De meeste romans tellen heel wat woorden en zijn sfeervol. Zijn stijl is beschrijvend, vaak tot in de kleinste details, met een groot gevoel voor de muzikaliteit van de taal. Zijn breedsprakigheid is hem door critici wel verweten. Vooral in zijn oudste werk is zijn taalgebruik archaïsch. Later gaat hij kariger schrijven, zeker in de drie novellen die hij aan het eind van zijn leven publiceerde (De bergreis, Torrentius en De wilde vrouwen van Pella).

BIOGRAFISCH

Theun (Theunis Uilke) werd op 26 april 1907 geboren in het Friese Veenwouden als enig kind van Sjoerd de Vries en Elisabeth Dijkstra, stammend uit doopsgezinde families. Zijn vader was zuivelexporteur en hij kreeg het tijdens de Eerste Wereldoorlog steeds moeilijker. In 1915 verhuisde het gezin naar Leeuwarden. Daar ging Theun naar de lagere school. In 1920 verhuisden ze naar Apeldoorn, waar hij het Gemeentelijk Gymnasium bezocht. Vader De Vries werd in 1923 failliet verklaard, voor de ouders en de zoon ‘een vreselijke ervaring’. De band met zijn ouders was en bleef heel sterk. Theun de Vries begon al op jeugdige leeftijd te publiceren: in 1925 verscheen de bundel Friesche sagen, in 1927 en ’28 de dichtbundels Terugkeer en De vervreemding, die hij opdroeg aan zijn latere vrouw Aafje Maria Vernes. Hij had haar in de jeugdbeweging leren kennen.

POLITIEK

In zijn jonge jaren zocht Theun de Vries naar ‘eenheid en duidelijkheid’. Schrijven bood hem een houvast in een wereld waarin hij zich onzeker voelde. Aanvankelijk is hij niet zo politiek bewust. Dat veranderde na de machtsovername door Hitler, die bij De Vries leidde tot een existentiële crisis. Hij verdiepte zich in de werken van Marx, Lenin en Stalin, waar hij gemakkelijk aan kon komen als medewerker van de bibliotheek in Sneek.

 

COMMUNISME

In oktober 1936 werd De Vries lid van de CPN, de Communistische Partij van Nederland. ‘Voor mij was het een grote bevrijding, een geweldige opluchting. Ik had vaste bodem onder de voeten en ook als schrijver wist ik in welke richting ik me moest bewegen.’ Hij werd redacteur van het partijdagblad De Tribune. In 1939 publiceerde hij een lofdicht op Stalin naar aanleiding van diens zestigste verjaardag, eindigend met de regel: ‘leider, broeder, kameraad.’ Een groot deel van de oorlog zat hij ondergedoken. Uiteindelijk werd hij gearresteerd toen hij werd betrapt met illegale blaadjes in zijn fietstas. Hij belandde in Kamp Amersfoort, maar werd daaruit bevrijd door een groep vrienden die eigenlijk kunstenaar Henk Henriët in veiligheid had willen brengen. Na de oorlog werd De Vries medewerker van De Waarheid en hoofdredacteur van De Vrije Katheder en voorzitter van de Vereniging Nederland-USSR.

 

‘Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot de grote momenten uit de geschiedenis. Wil een onderwerp voor mij gaan leven, dan moet er een heroïsch element in zitten, het moet iets van een heldensage hebben. (...) Ik probeer altijd een bepaalde tijd uit te beelden met alle mogelijke details, perioden die mij interesseren. Ik heb ontdekt dat zich bij kunstenaars een proces voltrekt waarbij zij op een heel speciale en soms bizarre manier de inhoud en de beweging van een bepaalde tijd weerspiegelen.’

MISDADEN

Ook toen de misdaden die tijdens het regime van Stalin waren gepleegd, aan het licht kwamen, bleef De Vries pal achter de gestaalde Sovjet-opvattingen staan. Deze houding maakte hem in literaire kringen bepaald niet populair. Sterker nog: lange tijd gold Theun de Vries als een dogmatisch politiek schrijver die men associeerde met zijn maatschappijkritische meningen en niet beschouwde als de literair begaafde auteur die hij ook was. In 1956 werd De Vries uit de Nederlandse PEN gezet omdat hij de Russische inval in Hongarije had verdedigd. In die jaren bezocht hij met regelmaat de DDR en de Sovjet-Unie. In beide landen verschenen vertalingen van zijn werk. In 1958 bezocht hij China, vier jaar later Cuba. In de jaren zestig nam De Vries geleidelijk afstand van de harde lijn en kreeg hij oog voor de misdrijven tijdens het Stalin-tijdperk. In 1971 verliet De Vries de CPN. A. den Doolaard schreef: ‘Hij kon over de werkelijke werkelijkheid heen kijken. Dat heeft Theun de Vries, als gelovige die niet zonder geloof kon, jarenlang gedaan.’

 

AFSCHEID

Over zijn afscheid van de CPN zei De Vries: ‘Mijn bedankje was eigenlijk niet eens tegen de politiek van de partij als zodanig bedoeld, want in grote trekken ben ik daar altijd achter blijven staan. Het voornaamste feit was de fraseologie. Het voortdurende heilig spreken over de Sovjet-Unie, de voorhoede van de arbeidersklasse. Al die frasen waren voor mij dood als een gebedsmolen. Ik kon niet met al die uitgeleefde traditie en leugens doorgaan.’ Achteraf vond De Vries dat hij te lang loyaal was geweest aan de partij, maar hij bleef een overtuigd marxist in hart en nieren.

‘De roman is een bij uitstek democratische kunstvorm: ze haakt ook in bij het diep ingebakken verlangen dat bij alle mensen aanwezig is om een verhaal te horen.’

KETTERS

Een groot aantal romans en studies van De Vries is door politieke of revolutionaire ontwikkelingen gekleurd. 1848 bijvoorbeeld is een breed opgezette roman in drie delen (Een spook waart door Europa, Nieuwe rivieren en Hagel in het graan) waarin De Vries de vrijheidsbeweging in Europa beschreef vanuit een groot aantal personages, zowel fictieve als bestaande (Marx). Een ander imposant werk waarin De Vries zijn ideeën kwijt kon, was het in 1982 verschenen Ketters. Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht. Ketterijen door de eeuwen heen zag hij als voorlopers van de sociale en revolutionaire bewegingen in de negentiende en twintigste eeuw. Het hele boek ademt de zucht ‘het wezen van de mens’ te vinden. Alhoewel hij atheïst was, heeft De Vries altijd beklemtoond dat hij geïntrigeerd bleef door de religieuze drijfveren van mensen. Zijn doopsgezinde afkomst was daar zeker debet aan.

‘Mijn werk moest mooi, duidelijk en doorzichtig zijn. Natuurlijk: de eerste gooi op het papier is vaak barok (mijn aanleg is echt een beetje barok), maar dat drijf ik dan terug, ik wil het goed en helder doen, daar heb ik wel een eigen stijl in ontwikkeld.’

DEBUUT

Na zijn bibliotheekopleiding keerde De Vries terug naar Sneek, waar hij zich op 23 augustus 1931 verloofde met Aafje Vernes. Een jaar later werd op 12 oktober in Apeldoorn het huwelijk voltrokken. Inmiddels was De Vries’ eerste omvangrijke roman Rembrandt (1931) verschenen, waarvoor hij in 1932 de Meiprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde kreeg. Op 21 april 1934 werd zoon Hubert René geboren, het gezin verhuisde in 1937 van Sneek naar Amsterdam, waar Theun de Vries de rest van zijn leven zou blijven wonen. Nu hij niet langer aan een bibliotheek verbonden was, verdiende hij de kost met vertalingen, het schrijven van artikelen voor tal van kranten en tijdschriften. In 1938 verliet De Vries vrouw en kind. ‘Mijn huwelijk, dat in Sneek al zo goed als op de klippen was gelopen, kreeg in Amsterdam de doodsteek.’ 

Als hem in de jaren zeventig wordt gevraagd wat zijn belangrijkste levensfeiten zijn, antwoordt hij: ‘Mijn bekering tot het Marxisme, mijn verhuizing van Friesland naar Amsterdam en de bezettingstijd.’

‘De drie elementen in mijn werk, de sociale betrokkenheid, de geschiedenis en de belangstelling voor het leven van kunstenaars probeer ik te combineren vanuit een socialistische visie op de maatschappij.’

Vlak voor de bevrijding trok De Vries in bij zijn ex-vrouw en hun zoon. Op 29 mei 1946 trouwde De Vries voor de tweede keer met Aafje Vernes. Op 25 oktober 1946 werd hun dochter Maria Elisabeth Alexandra (Sandra) geboren, aan wie Theun de Vries een aantal boeken heeft opgedragen.

‘Die epische kant van mij is door mijn kennismaking met het Marxisme nog versterkt. Ik heb het experiment al heel vroeg laten vallen.’

Op 23 september 1963 kreeg Theun de Vries op het Muiderslot de P.C. Hooft-prijs 1962 uitgereikt, hem toegekend voor zijn gehele oeuvre. Ondanks de problemen die velen hadden met zijn politieke opvattingen, reageerde de literaire wereld enthousiast. Minister Bot van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen roemde ‘de liefde voor de mensen’ van De Vries, zijn sociale bewogenheid en zijn ‘daadwerkelijke aandeel in het verzet’. Om diezelfde reden werd hem in 1987 de Verzetsprijs van de Stichting Kunstenaarsverzet toegekend, een onderscheiding die hem enorm ontroerde.

 

OVERLIJDEN AAFJE

Op 8 januari 1975 overleed Aafje Vernes aan longkanker. ‘Ik legde haar dood en nagedachtenis vast in Friese gedichten, mijn gevoelsleven zocht zijn uitdrukking in de taal van mijn vroege jeugd.’

Na haar overlijden ging De Vries samenwonen met de romaniste Henriette Buytendijk, met wie hij al lange tijd bevriend was. In de laatste jaren van zijn leven woonde zij in een verpleeghuis en hadden zij dagelijks telefonisch contact. Tot op hoge leeftijd bleef De Vries schrijven en publiceren. In de zomer van 2003 wijdde het toenmalige Letterkundig Museum een tentoonstelling aan zijn leven en werk en verscheen het Schrijversprentenboek Vervolg je weg en laat de lui maar dazen!  Theun de Vries stierf op 21 januari 2005. Zes jaar later publiceerde Jan van Galen Theun de Vries. Een schrijversleven 1907-1945. In 2013 kwam Revolte is leven uit, de biografie van Jos Perry, die de nadruk legt op het communisme.

Moergrobben van Theun de Vries

Kunstenaarsromans

PROZADEBUUT

In 1927 stuurde Theun de Vries, die toen aan de Apeldoornse Rembrandtlaan woonde, een verhaal over de bruiloft van Rembrandt en Saskia van Uylenburgh naar het literaire maandblad De Stem. Het werd door redacteur Dirk Coster afgewezen. Het weerhield De Vries er niet van om tussen 1927 en 1931 te werken aan een ‘grote roman’ over de schilder. Rembrandt werd de eerste kunstenaarsroman van De Vries, geen op feiten gebaseerd boek maar een vie romancée, dus berustend op de verbeelding en het invoelingsvermogen van de auteur.

‘Ik heb een grotere belangstelling voor het individu dan vroeger. Toen kon ik alleen maar in collectieven van mensen denken, mensen in groepen. 1848 is onvergelijkbaar met De vrouweneter. Dat is bij mij gekomen door de kunstenaarsromans die ik ben gaan schrijven. Bij kunstenaars is de individualisering natuurlijk heel sterk en heel bijzonder.’

KRITIEK

Critici als Menno ter Braak hebben opgemerkt dat de roman niet zozeer over Rembrandt handelde, maar over diens zoon Titus, die hij samen met de Leeuwarder burgemeestersdochter Saskia van Uylenburgh had gekregen. ‘Rembrandt droeg sterk de trekken van mijn eigen vader, in zijn zoon Titus kwamen vele autobiografische elementen aan het licht,’ schreef De Vries later. Deze roman toont al de enorme verbeeldingskracht van De Vries, die voor het latere werk zo typerend zou zijn. Door het leven van Rembrandt – vermoedelijk aan de hand van diens vele zelfportretten – in woorden te ‘schilderen’, maakte De Vries voor zichzelf duidelijk dat hij niet anders kon dan voor het kunstenaarschap te kiezen, terwijl hij in de figuur van Titus zijn eigen onzekerheden en verlangen naar ‘een bezielend verband’ projecteerde. 

Hoogmoed komt voor de val, is wat De Vries wil illustreren. Rembrandt ging aan zijn eigen succes ten onder en was in zijn laatste levensjaren dement. Voor dat gegeven bestaan geen feitelijke bronnen, zoals veel meer gebeurtenissen in deze lijvige roman verzonnen zijn.

 

ZEVENTIENDE EEUW

Had De Vries deze roman na zijn ‘bekering’ tot het communisme geschreven, dan was Rembrandt een veel militantere man geworden, zoals De Vries veertig jaar na de verschijning van zijn romandebuut duidelijk maakte. ‘Ik zou Rembrandt plaatsen in het proces van de neergang van het nijvere, progressieve en dynamische burgerdom van de 17e eeuw dat bezig was tot de regenten-klasse en regenten-parasitisme te ontaarden, en ik zou hem vooral zien in zijn geestelijke en artistieke oppositie ten aanzien van dit proces.’

 

VAN GOGH

Een andere veelgelezen kunstenaarsroman van Theun de Vries verscheen in 1963 onder de titel Ziet, een mens!  Vanaf de vierde druk (1972) heette het boek Vincent in Den Haag. De Vries beschreef de zeer armoedige jaren 1881-1883 die Van Gogh in de residentie doorbracht en baseerde zich op de vele brieven van Van Gogh zelf. ‘Ik gebruikte zelfs in menig geval zijn eigen zinswendingen en uitdrukkingen.’ Oorspronkelijk was Ziet, een mens!  bedoeld als verhaal voor de Oost-Duitse Verlag der Kunst, maar zoals zo vaak bij De Vries groeide een verhaal of novelle uit tot een volwaardige roman. Anders dan bij Rembrandt hield De Vries zich nu aan de feiten. De armoede, de grote passie voor een hoertje, zijn gevechten met de kunsthandel; ze waren allemaal op de realiteit gebaseerd.

Wat beide kunstenaarsromans verbindt, is de eenzelvige, schilderende hoofdpersoon, die op een radicale manier kiest voor zijn kunst en tegen de verzakelijking van die kunst. Kunsthandelaar Tersteeg houdt Van Gogh voor dat hij iets moet maken ‘dat verkoopbaar is’. De Vries maakt van de schilder ‘zijn eigen leermeester’, ‘een illustrator van het volk’, al zou dat volk niet naar zijn werk omkijken. 

 

ONTSTAAN KUNSTENAARSROMANS

De kunstenaarsroman ontstond toen eind achttiende eeuw in Duitsland de belangstelling voor het genie enorm groeide. Het verleden ‘herdromen’, de diepe zielsprocessen van een kunstenaar weergeven, dat waren bij uitstek romantische kunstenaarsopvattingen die De Vries trouw bleef. Ook in zijn beschrijvingen van de kunstenaar met al zijn idealen en de door geldzucht beheerste handelaren ging De Vries uit van een vrij eendimensionale kijk: good guy versus bad guy.

In Moergrobben, zijn omvangrijke, in 1964 bij uitgeverij Van Kampen verschenen roman, geïnspireerd door het leven van Jeroen Bosch, pakt de rol van de scheppende kunstenaar als buitenstaander heel anders uit. De hoofdpersoon in deze roman die later tot verdriet van De Vries zou verschijnen onder de titel Het raadselrijk (1973, herdruk bij uitgeverij Querido) zou mogelijk een ketterse revolutionair kunnen zijn geweest. Het is in deze kunstenaarsroman dat Theun de Vries heel duidelijk de verbinding legt tussen de schilder en de maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd.

‘Mijn schilders-romans draaien om de grote vraag van alle kunst: aan wie behoort ze, voor wie werd ze gemaakt, en hoe houdt de maker van deze schoonheid en waarheid zijn ziel en persoonlijkheid zuiver in een wereld die hem met dagelijkse corruptie bedreigt.’

Moergrobben van Theun de Vries

De wereld van Jeroen Bosch

De feiten over Jeroen (Jheronimus) Bosch zijn schaars. Hij werd vermoedelijk rond 1450 geboren. Zijn vader was de uit Nijmegen afkomstige schilder Anthonis van Aken, die een huis kocht op de Markt van Den Bosch. Jeroen volgde na de lagere school de Latijnse school en kreeg met zijn broer Goessen een schildersopleiding. Over zijn jeugdjaren is verder weinig bekend. Men vermoedt dat hij de grote brand van 1463 heeft gezien. In zijn werk komen veel stadsbranden voor. Een aantal jaren is zijn naam in de stadsarchieven onvindbaar. Vermoedelijk keerde hij naar Brabant terug na de dood van zijn vader in 1478. Zeker is dat in zijn atelier een aantal knechten werkte, van wie er een of twee zo getalenteerd waren dat het toeschrijven van werken aan Bosch tot op de dag van vandaag problematisch blijft.

In 1481 trouwde hij met Aleid van de Meervenne, een ontwikkelde en welgestelde vrouw. Zij betrokken een huis aan de Noordzijde van de Markt. In 1488 werd Bosch opgenomen in de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap. Hij kreeg steeds meer opdrachten, van onder anderen Filips de Schone en Margaretha van Oostenrijk. Bosch stierf in 1516, terwijl in Den Bosch een pleuritisepidemie heerste. Niet bekend is of hij daaraan is gestorven. Wél dat hij vanuit de Sint Jan is begraven op het Sint Janskerkhof op het gedeelte van de welgestelden, ‘een seer vermaerd schilder’.

‘Moergrobben noemde ik met een zelfgemaakt woord mijn roman, geïnspireerd op Jeroen Bosch. Mijn gothische schilder heet ook niet Bosch, maar Hintham, zoals het dorp Hintham tegen Den Bosch aanligt, verhoudt mijn Hintham zich tot Jeroen Bosch. Het centrale kenmerk van zijn kunst  is ook de woeste wemeling van gedrochten en ondieren, creaturen van de onderwereld: moergrobben.’

DE WERELD VAN JEROEN BOSCH

Vragen en vermoedens over de persoon van Jeroen Bosch, zijn grillige en burleske werk en de ideeën achter zijn schilderijen zijn er te over. De grote tentoonstellingen in 1966 en 2016 leidden tot een stroom van publicaties, maar al vanaf het begin van de twingtigste eeuw werd er op wetenschappelijk gebied veel over Bosch gepubliceerd. Een aantal van die teksten was bij Theun de Vries bekend toen hij aan het schrijven van Moergrobben begon.

Een groot probleem bij de interpretatie van het werk van Bosch is dat zijn beeldtaal sterk tijd- en plaatsgebonden is. Symbolen, toespelingen en teksten waar hij wellicht naar verwees, zijn verloren gegaan. Sommige wetenschappers beweerden dat Bosch’ geest schampte aan het krankzinnige, of dat hij gedrogeerd was tijdens het schilderen. Al in de zeventiende eeuw zag men hem vanwege zijn duivelse riten als een ketter, een opvatting die werd gedeeld door de Duitse kunsthistoricus Wilhelm Fraenger, die Bosch zag als een lid van de adamieten, de sekte van de naaktlopers. Theun de Vries ging in zijn opvattingen een heel eind met hem mee, maar kende ook de tekst van Dirk Bax, die in 1949 was gepromoveerd op Ontcijfering van Jeroen Bosch, waarin hij aangaf hoe belangrijk de literatuur, folklore en cultuur van het zestiende-eeuwse Brabant was voor de beeldtaal van Jeroen Bosch. Recent onderzoek wees uit dat Bosch, veel meer dan door Nederlandse voorbeelden, werd geïnspireerd door Duitse schilders als Stefan Lochner, Israhel van Meckenem en Matthias Grünewald. In de catalogus die het Prado in 2016 uitgaf bij de grote Bosch-tentoonstelling wordt dieper op deze theorie ingegaan.

‘Voor een romanschrijver is de theorie van Fraenger schitterend. Maar ik kan het niet bewijzen en Fraenger kon dat eigenlijk ook niet, hoewel hij verschrikkelijk veel bewijsmateriaal heeft aangedragen op zijn manier. Hij heeft een interpretatie gegeven van De tuin der lusten en daarin heeft hij de theorie ontwikkeld dat het de weergave is van de Adamieten over de paradijselijke toestand van de mens.’


Het geheim van Jeroen Bosch

Het geheim van Jeroen Bosch is drie keer verschenen. Aanvankelijk als artikel in het maandblad Politiek en Cultuur, later in de essaybundel Materie en matrijs en uiteindelijk als zelfstandige uitgave bij de Triona Pers in Groningen. Tekenend voor het belang dat Theun de Vries aan de tekst hechtte.  

De Vries gaat allereerst in op de theorie van Wilhelm Fraenger, die op basis van onderzoek van de raadselachtige elementen op de grote doeken van Bosch tot de overtuiging kwam dat de schilder lid was of kennis had van de sekte van de adamieten, ook wel Broeders van de Vrije Geest of Homines Intelligentiae (Verlichten) genoemd.

Fraenger zag Bosch dus in godsdienstig opzicht als een ketter en zijn picturale werk als een uiting daarvan. De Vries merkt op dat Fraenger ‘bijna teveel verklaren wil’. Zelf analyseert De Vries het werk van Jeroen Bosch als ‘sociale getuigenissen’. ‘Onmiskenbaar van aard zijn de werken die men de moraliserende genoemd heeft.’  Bosch beeldt alle eigenschappen van de menselijke natuur uit, haalt ze over de hekel, vergroot ze en neemt zo stelling tegen de hogere kringen waar men uit is op ‘woeker en gewin’. Een thematiek die in veel romans van De Vries met steeds andere accenten wordt verbeeld. In zijn essay benadrukt De Vries dat de schilder in een overgangstijd leefde, politiek en economisch, maar ook qua uitbreiding van het beperkte gezichtsveld. Columbus’ reizen vonden tijdens het leven van Bosch plaats. ‘De wereld kreeg nieuwe dimensies en die groeicrisis zal velen angst hebben aangejaagd,’ zo concludeert De Vries. ‘Bosch is ondubbelzinnig en duidelijk op alle punten waar het toen en nu op aankomt: hij wil een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.’

‘Dit is een van de dingen die mij altijd hebben beziggehouden: hoe blijft een kunstenaar onaangetast, onbesmet in een absoluut corrupte maatschappij? Bosch vertegenwoordigt een stroming, een klasse, een verschijnsel, een volk, een tijd. De held van Moergrobben is een beeldend criticus van zijn eeuw.’

Moergrobben van Theun de Vries

Moergrobben

DRUKGESCHIEDENIS MOERGROBBEN, HET RAADSELRIJK

De eerste druk van Moergrobben verscheen in 1964 bij P.N. van Kampen in Amsterdam. De roman telt drie ongetitelde delen en bevat de volgende aantekening: 'Dit werk, waarvan in 1957 enkele fragmenten ontstonden, werd voltooid dank zij een opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1962).' 

De fragmenten waaraan wordt gerefereerd verschenen in de 5e en 7e jaargang van het literaire tijdschrift Maatstaf onder de titels 'Moergrobben', 'Eerste paneel' en 'Slangen in het gras'.

De tweede druk van de roman verscheen onder de titel Het raadselrijk in 1973 bij Querido. De drie delen zijn getiteld 'Moergrobben', 'Versperd paradijs' en 'Een huis op het westen'. De derde druk verscheen in oktober 2016 onder de oorspronkelijke titel, met als ondertitel Roman van een schilder.

‘Moergrobben, het woord had ik zelf bedacht. Krobben zijn in het Fries kevers, kakkerlakken en moer is moeras. Ik vond het een intrigerend woord, maar bij de uitgeverij zeiden ze: dat is geen woord, dat kan niemand onthouden. Toen werd het Het raadselrijk. Maar dat Moergrobben daar heb ik nog altijd heimwee naar.’

VERFILMING

In 1968 werkte regissseur Ton Tholen aan het scenario van Moergrobben, een film gebaseerd op het leven van Jeroen Bosch. In december van dat jaar was er een door Tholen en Theun de Vries uitgewerkt scenario klaar. Van een verfilming is het nooit gekomen.

2
foto's

Uit de correspondentie tussen Theun de Vries en zijn Duitse uitgever Horst Wandrey blijkt dat er het nodige gesteggel had plaatsgevonden op de uitgeverij over een ‘dekkende’ titel. Moergrobben vond men ongeschikt, zelfs met de ondertitel Ein Malerroman. Het door de vertaalster aangedragen Teufelstarantel werd door auteur én uitgever verworpen. Uiteindelijk koos men voor Die drei Leben des Melchior Hintham, corresponderend met de drie delen van de lijvige roman.

Deel I
Moergrobben

Melchior Hintham  wordt geboren in Den Bosch, een stad die Theun de Vries zeer beeldend oproept. Zijn vader komt uit het Rijnland en is meester-glazenier. Als jongen gaat Hintham in de leer bij de ‘meester van Drijkoningen’ Bileam Pancras, die hem niet alleen de schildertechniek bijbrengt, maar hem ook het nodige vertelt over de katholieke leer. Pancras merkt al gauw dat zijn leerling veel aardsere onderwerpen kiest en een goed oog heeft voor het burleske.

Als zijn vader na een val van de trap sterft, reist Melchior met zijn moeder naar haar Rijnlandse geboortegrond. Hij maakt daar kennis met de werken van de Keulse school. Als hij terugkeert in zijn geboortestad is Pancras overleden. Melchior erft zijn bezittingen en neemt zijn intrek in zijn vaders atelier. ‘Hij schilderde de Dood en de Krijgsman, de Dood en de pelgrim, de Dood en de Koopman, hij schilderde één lange Dodendans, paneel bij paneel, wel tien in getal; en op elk paneel werden, als kropen zij hem uit zijn mouwen en broekspijpen of uit de plooien van de bedgordijnen, al de zotte angstwekkende gedierten geboren die zich aan de figuren hechtten (...) Melchior herinnerde zich het woord dat de oude Pancras mompelend gebruikt had, toen hij deze misgeboorten voor de eerste keer op een schilderstuk van Melchior gezien had. Dit dan waren de moergrobben.’

Deel II
Versperd paradijs

Hintham maakt naam als getalenteerd schilder bij de Bossche notabelen en clerus. Hij is dik bevriend met bouwmeester Kilian Bor, een veel uitbundiger type dan de ingetogen Hintham. Bor prikkelt hem zijn eigen weg te kiezen. Hintham gaat naar Antwerpen en komt onderweg terecht bij een doodzieke landjonker Piepenpooy, eigenaar van een landgoed in de omgeving van Oosterhout, waar je doorgaans niet levend uit komt. Hintham is onder de indruk van het wereldse Antwerpen in vergelijking met het provinciale Den Bosch. Zijn werk wordt zeer gewaardeerd. Hij legt contacten met veel collega-schilders, onder wie Gerlach Orly, een aanhanger van de leer der adamieten, de vrije geesten, die als ketters worden vervolgd. Via Orly ontmoet hij Charles van den Caudenberg (in de roman verder Caudenberg genoemd), een malafide joodse handelaar in geld die zich voordoet als koning Melchizedek en Hintham, die zwaar onder zijn invloed komt te staan, wil beheersen. ‘Ik zal u laten schilderen wat niet eerder geschilderd is.’

 

LEVENSBOOM

Caudenberg gebiedt Hintham steeds vaker wat hij moet schilderen tijdens zijn langdurige logeerpartijen bij de schilder. Zijn vriend Bor waarschuwt Hintham voor de slechte invloed van de ongrijpbare prediker. De bouwmeester valt van een steiger en sterft. Op zijn sterfbed vraagt hij zijn zeer jonge dochter Blancijntje om met Melchior te trouwen. Dat gebeurt, Hintham plant in de tuin van hun huis een levensboom, die al snel krimpt en verschrompelt. Van echte liefde is geen sprake, beide echtelieden zijn ongelukkig, er komen geen kinderen, Blancijntje leeft zich uit in de aanschaf van dure kleren en ‘maanziek’ gedrag. Als Caudenberg andermaal komt logeren, voltrekt zich voor de ogen van Hintham een drama. Uit ‘vrije wil’ kiest Blancijntje voor de prediker. ‘Zij gaat als de koningin met haar koning.’  Op een wit paard verlaten ze samen de stad, Hintham vertwijfeld achterlatend. De machtige proost (pastoor) Kals krijgt steeds meer moeite met de opvattingen van Hintham. Als pater dominicaan Elardus van Hoey, een kettermeester, in de stad verschijnt is al gauw duidelijk dat hij de opvattingen van de schilder wil onderzoeken. Van Hoey voert listige gesprekken met Hintham, die zijn eigen werk betitelt als ‘opgespaarde herinnering’. Het is Van Hoey die Hintham vertelt wie Caudenberg in werkelijkheid is: Melchizedek van Praag, een gedoopte joodse koopman met een slechte naam.

STADSBRAND

Met Van Hoey maakt Hintham tijdens Pasen een wandeling tot buiten de stad om de paasvuren te aanschouwen. Door de stevige wind ontaardt het feestelijke paasvuur in een alles en iedereen verslindende stadsbrand. Ook Hintham helpt bij het blussen. Dan hoort hij dat het kapittel inclusief pater Van Hoey de stad spoorslags heeft verlaten om het vege lijf te redden. Van Hoey breekt tijdens die vlucht zijn nek en sterft. Proost Kals breekt een been. Spot en hoon valt de clerus ten deel. Als de eerste ravage is opgeruimd, gaat Hintham helpen in het klooster van de franciscanessen.

 

NON AMANDA

Hij raakt daar al snel onder de indruk van zuster Amanda, een jonge non die zijn werk goed blijkt te kennen. Van de priores krijgt hij de opdracht een Franciscus-drieluik te maken. Het contact met Amanda wordt gevaarlijk innig. Om voor Hintham onduidelijke redenen wordt de opdracht ingetrokken. Was dat op last van de priores of van proost Kals, Hinthams ultieme kwelgeest? Om haar liefde voor Hintham geen kans te geven wordt Amanda overgeplaatst naar een ander convent. Inmiddels heeft Hintham Tetje Roen, een olijke volksjongen, als knecht in huis genomen.

Deel III
EEN HUIS OP HET WESTEN

De stad wordt herbouwd, Hintham maakt schilderijen naar spreekwoorden en ontvangt de Duitser Joachim Pracher, een vriend van Caudenberg, voor wie hij ooit in opdracht een schilderij maakte. Pracher vertelt over de tochten van Columbus, de ontdekking dat de aarde rond is en dat de profetieën van de vrije geesten zullen uitkomen. Bouwmeester Hennequin voltooit de bouw van de St. Andries die met veel pracht en praal wordt ingewijd. Hintham gaat weer naar de Rijnstreek, maar zijn moeder is al overleden voor zijn komst. Wanneer hij weer thuiskomt is Tetje getrouwd met Irmlinde. Het stel blijft bij hem wonen.

 

BEZOEK

Als Filips de Schone Den Bosch met een bezoek vereert, gaat Hintham niet kijken naar de feestelijkheden. De jonge Habsburgse prins komt de schilder echter zelf opzoeken in zijn huis en geeft hem de opdracht voor een schilderij, dat Hintham na enig talmen ook maakt, maar Filips de Schone zal het nooit zien, hij is dan al in Spanje gestorven. Het doek wordt later naar Brussel gebracht en krijgt er veel bijval. Tot groot verdriet van Hintham wordt Tetje, die tijdens een gevecht voor zijn meester opkomt, gedood. Irmlinde blijft bij de door jicht gekwelde Hintham wonen. Diens krachten nemen af, vrienden en vijanden sterven, zo ook Caudenberg en Blancijntje, die als ketters worden veroordeeld en verbrand. Hem rest de rust van zijn tuin en de egel die voor zijn ogen rondkruipt. ‘Dan proefde hij op zijn gezicht en tong een zilte smaak van vrijheid, die met schemering en westenwind naderbij dreef, maar hij had er geen naam voor.’

Documentatie

Dat Theun de Vries zich voor zijn romans uitgebreid documenteerde is bekend, en dat geldt zeker ook voor Moergrobben. Alle tot aan het begin van de jaren zestig verschenen literatuur over Jeroen Bosch, zijn schilderijen en de interpretaties daarvan, kende De Vries. De thematiek van Bosch’ schilderijen vatte hij bondig samen.

Het Literatuurmuseum bezit de handgeschreven documentatie die De Vries aanlegde voordat hij aan Moergrobben ging werken. Die aantekeningen vallen in drie grote onderwerpen uiteen: Melchiors levensloop, Antwerpen (de stad waar Hintham na zijn jeugd in Den Bosch een tijd verblijft) en Leven en zeden.

De notities bevatten lijstjes met namen en symbolen, korte definities van begrippen en tijdsomstandigheden. De korte aantekeningen neemt hij daarna op in meer verhalende passages:

De tuin der Lusten
Bosch’ hemel: een lusthof van potente, vrije en onverholen erotiek
Paring, naaktheid, minneparen, beginnende bij de eerste ‘bruiloft’: Adam en Eva
Op 2 panelen Het geslacht der Adamieten
Sensuele extase en serene kuisheid
In de meegenietende zonnige natuur
Geflankeerd door een zwarte hel voor de zondeval of na de herovering v.h. paradijs

De hooiwagen
Met volle vaart naar de hel (duivels rechts)
Hebben, graaien, roven, vechten om buit,
Paus, keizer, hertog, abt, monnik en non
Amoureusheid op de wagen, minnespel en buit,
Baat niet
Na de zondeval (op paneel links Engel met zwaard enz.) 

Op Tuin der Lusten ingesloten staand het zwevend en machtig kristal dat de schepping laat zien op 3e dag: ‘de aarde is haar kosmische glorie geschapen
Bij Hooiwagen de onontkoombare vernietiging van het boze

Daarom is Bosch’ verheerlijking van de pure sexuele extase een poging om ‘God en natuur’ te verzoenen – de overbrugging
Wie geloven dat dit mogelijk is? De Adamieten. Platonisch
Augustijns
Neo-Pythagoreins - ideeënspel in hun M.E. vorm!
Gnostisch

Worsteling

Het is de leermeester van Melchior Hintham, Bileam Pancras, die het door De Vries verzonnen woord voor het eerst gebruikt, als hij naar het werk van zijn leerling kijkt: ‘Daar brouwt wat … Bang moeten ze zijn voor hem …Moergrobben.’ Later zal Hintham Pancras citeren als hij een typerend gesprek voert met zijn vriend Kiliaan Bor. Bor vindt dat hij niet moet kiezen voor de gangbare schildersweg, maar zijn eigen gang moet gaan. Voor Hintham vormen de moergrobben niets minder dan ‘de waarheid’. Daar is Bor het mee eens: ‘Ja! Dat is het. Het is de waarheid…in al haar schrik en onbehagen. Daarom stoot zij ons af en daarom trekt zij ons zo machtig aan!’

Als Filips de Schone Hintham in diens huis bezoekt, raken ze in gesprek over de al dan niet bestaande moergrobben. Filips merkt op: ‘Maar u hebt ze laten bestaan – op uw panelen!’ Waarop Hintham zegt: ‘Het is waar, ik heb moergrobben gemaakt zolang ik ze om mij heen dacht waar te nemen. (...) Ik zie nog moergrobben, Uwe Doorluchtigheid…in de daden van de mensen. Ze zijn in de mens. De mens zelf is de moergrob.’ In het gesprek met de vorst scheert Hintham langs de grenzen van de ketterij, die hij via Caudenberg heeft leren kennen. Hintham ziet de ‘grote ommekeer’zich voltrekken niet door het geloof in het goddelijke maar door de mensen zelf. Het is die worsteling die Hintham in de roman doormaakt en die eindigt met een berustende houding. Hij hoeft niets meer te creëren maar is zichzelf genoeg bij het zicht op de dagen en de seizoenen.

Fictie en historische realiteit

's-Hertogenbosch was aan het eind van de middeleeuwen een belangrijke handelsstad en een centrum van het katholieke geloof. Erasmus bijvoorbeeld kreeg in die stad zijn priesteropleiding. Ook was Den Bosch het hoofdkwartier van de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap, waarvan Jeroen Bosch ingezworen lid, Zwanenbroeder, was. Het houden van zwanen was in die tijd een adellijk privilege, het geven van een zwaan aan de broederschap betekende dat je van de clerus een aflaat kon krijgen, een vergeving van alle zonden en een gegarandeerde plaats in het hiernamaals. Dat voorkwam een oneindig lijden in vagevuur en hel, de plaatsen die Bosch even gruwelijk als aansprekend op zijn doeken vastlegde. 

 

LIEFDADIGHEID

Bosch alias Melchior Hintham was wars van uiterlijk vertoon en was wel lid van de kunstenaarsgilde, maar niet enorm actief. Ook schonk hij veel van zijn verdiensten aan de liefdadigheid, terwijl Jeroen Bosch goed en royaal van zijn schilderijen kon leven en zijn vrouw vermogend was. Hintham beleefde twee ongelukkige liefdes. Zijn vrouw ging er met de prediker Caudenberg vandoor en zijn liefde voor de non Amanda bleef platonisch en werd niet fysiek voltrokken. Bovendien overleefde de vrouw van Bosch hem en wacht Hintham aan het eind van de roman berustend op zijn dood.

AFLAATHANDEL

Tijdens het leven van Jeroen Bosch kwam er steeds meer kritiek op de macht en de rijkdom van de kerk. Bosch stierf een jaar voordat Luther zijn stellingen tegen de aflaathandel publiceerde en de Reformatie daadwerkelijk begon. Theun de Vries maakt in Moergrobben van de clerus een groep heerszuchtige en egocentrische mannen, die op de vlucht slaan uit de brandende stad.

Wat de historische feiten betreft is Theun de Vries in Moergrobben selectief: de grote stadsbrand (1463), de intocht van Filips de Schone  (1496), de continu dreigende strijd met Gelre, de bouw van de Sint-Jan komen in de roman voor. Ook maakt hij gewag van de ontdekking van Amerika door Columbus. De intocht van Karel V (1515) bijvoorbeeld weer niet. Soms gebruikt hij bekende namen uit de beschreven periode. Een van de bekende inquisiteurs uit die dagen was Eylardus Schoenveld van Utrecht, in Moergrobben heet hij Eylardus van Hoey. Ketter Charles van den Caudenberg heeft niet bestaan, vermoedelijk hebben twee adamieten uit Brussel, de leek Aegidius Cantor en karmeliet Willem van Hildernissen, model voor hem gestaan. Het waren vooral rijke kooplieden die de opvattingen van de adamieten en Vrije Geesten van Antwerpen naar Den Bosch en het Rijnland overbrachten. De Vries koos voor één vertegenwoordiger: de voor Hintham bedwelmende en ongrijpbare Caudenberg. 

 

PORTRET HINTHAM

Ondanks alle details en beschrijvingen, ondanks alle aansprekende personen: eigenlijk is Moergrobben het portret van één man, de schilder Hintham, die met zijn tomeloze verbeeldingswereld van gedrochtelijke figuren geen roem zoekt, maar door een innerlijke strijd een antwoord probeert te vinden op de vragen die De Vries hardop stelde: waarom te leven, hoe en voor wie. Vaste waarden verdwenen tijdens het leven van Hintham, de wereld werd groter en raakte op drift. De Reformatie won terrein en een periode van felle godsdienstige en staatkundige strijd lag in het verschiet.

Melchior Hintham, de schilder van een overgangsperiode.

‘Het is met de mannen van mijn ambacht eigenaardig gesteld. Een indruk, een beeld, iets dat wij van horen zeggen of lezen kennen, zet zich in ons vast, kiemt daar voort als winterkoren, wekt nieuwe voorstellingen in ons. Het springt aan het licht op ons paneel, zonder dat wij weten waar het vandaan komt, en steeds als wij het nodig hebben.’  

– Melchior Hintham

Colofon

Tekst en samenstelling DAAN CARTENS en SANDRA DE VRIES

Eindredactie AAFKE VAN HOOF