Vrede, godverdomme vrede

Liefde is een stinkend wonder

van onthoofde wulpsigheden

als ik voort moet leven zonder

vrede, godverdomme, vrede

 

(uit: ‘Vrede’, Uit slaapwandelen, 1957)

In de vroege ochtend van 10 mei 1940, de lucht is ‘melkachtig’ en ‘vol zon’, wordt student Leo Vroman in Utrecht wakker van geluid dat lijkt op dat van knallende deuren. Met alleen een overhemd aan en één sok, luistert hij naar de radio. Die bevestigt hem wat langzaam al tot hem doorgedrongen was: die doffe dreunen zijn geen deuren, dat is afweergeschut.

‘Ik dacht: hoe hinderlijk zijn sokken en hoe belachelijk zijn sokophouders, gevoelde verwarde en diepe verwijten en een onherstelbaar, onafzienbaar verlies, terwijl ik mijn tweede sok aantrok.’

(Warm, 1994)

De oorlog komt voor hem niet onverwacht. Het gezin Vroman was zich maar al te bewust van het dreigende gevaar. Mijn moeder bij voorbeeld, die altijd overal optimistisch over was geweest en de meest akelige dingen als voldongen feiten van zich af kon werpen, begon zich werkelijk zorgen over de nazi’s te maken.’ Broer Jaap werd zionist. Leo hield de opmars van de Duitsers bij op een landkaart met vlaggetjes. De ochtend van de 10e mei prikt hij een vlaggetje aan onze Duitse grens, met het vaantje naar Duitsland gericht, alsof het vandaar kwam aanstormen’.

Die ochtend gaat hij eerst naar Tineke. Samen met haar broer lopen ze naar de universiteit. College wordt er niet gegeven. Laboratoria worden opgeruimd, boeken en apparatuur naar veiliger plaatsen gebracht. ’s Avonds logeert hij bij Tineke. Hij helpt de familie met het aanbrengen van de ‘begrafenisversiering’, het verduisteringspapier dat voor de ramen moet worden gehangen.

Een dag later is aan auto’s, soldaten, mannen met bajonetten ook in de Utrechtse straten te zien dat het oorlog is. Als om het gevaar op afstand te houden, spelen Leo en Tineke die avond in de verduisterde huiskamer van de buren nog een vrolijk spelletje ‘cadavre exquis’, waaruit malle tekeningen van ‘Hitler met een verwonderd hondelijf en giechelige kikkerpoten’ ontstaan.

Maar als Leo samen met de familie Sanders de dag erna wordt geëvacueerd, en hij op de radio het bericht hoort van de capitulatie, besluit hij te vluchten.

‘Het Oosten barstte open, dat voelde ik aan mijn rechter-lichaamshelft, de macht die over allen heenblikt zou mij feilloos vinden en verscheuren. (…) Lichaamscontact met de doodsvijand leek mij reeds het dodelijk einde, daarna ware er slechts belachelijkheid als hij mijn slappe lichaam zou vouwen in malle standen – in sport leek ik al zo gek, maar dit zou zeker mijn geliefde alle respect ontnemen… dit moest ik ontgaan, weg van het Oosten, de spoorkaart van Holland heeft een rechte lijn naar het Westen, van Utrecht af, over Gouda, waar mijn ouders woonden, naar Scheveningen, de zee, zeilboten en Engeland.’

(Warm, 1994)

En zo gebeurde het. Hij gaat alleen, neemt afscheid van zijn meisje, stapt in een taxi – ‘voordat ik wegging zag ik nog haar vertrouwde rug’ – en vraagt de chauffeur langs zijn ouderlijk huis te rijden. Hij neemt zijn paspoort mee en tweehonderd gulden, en de taxi rijdt verder naar Scheveningen. Daar scheept Leo in op de Emma, ‘niet voor de zee gebouwd, maar sterk en waterdicht’. Voor de kust van België worden de opvarenden van het zeilbootje opgepikt door een vrachtboot, die hen uiteindelijk naar Engeland zal brengen.

 

Vanuit Londen zoekt hij contact met Gerrit Sanders, Tinekes vader die nog in Batavia zit. Via hem hoopt hij Tineke en zijn ouders te kunnen berichten dat hij veilig in Engeland is aangekomen. Gerrit stelt Leo voor verder te reizen naar Batavia. Leo twijfelt niet. Koopt in Londen een tropenpak en reist via Kaapstad naar Nederlands-Indië.

In Nederlands-Indië schrijft hij een verslag van de vlucht. Dat werd als ‘De adem van Mars’, in 1941 gepubliceerd in het Indische tijdschrift De Fakkel, en later opgenomen in een bundel prozastukken met de gelijknamige titel.

Amputatie

 

Een stoffelijke breuk, als alle leven,

rijpt langzaam doch is plots geschied;

een onvolkomen afscheid kent men niet:

men wendt het ganse schip, niet slechts de steven.

 

Niets hieraan kan men beter doen dan beter weten –

doch is men eenmaal ruimschoots buitengaats

dan is vóór op de boeg de beste plaats

en dient men geestesvruchten toe te eten.

 

Zo is het heengaan als de wereld blijft bestaan.

De navelstreng naar het bekende en zelfs beminde

doet zich door eigen bloedfermenten stervende ontbinden;

dit alles blijft en gij moet gaan.

 

Maar wanneer wat men liefheeft in een land

dat deze diepste schatten passend wist te torsen

– doch tot onminbaar toe verminkt, reeds zonder morsen

          van bloed, van bommen en van brand

          zich eerst vervreemdt, dan zielloos samenstort –

van een reële achtergrond gans is benomen,

dan is de tijd tot smartelijker gaan gekomen.

Geen helden-lendenen die men omgordt,

 

geen bedelstaf, moedwillig opgevat,

doch als een dier dat ziek wordt zich verstopt

voelt men een noodlotsdaad in zich ontpopt

waarvan men nooit vermoeden heeft gehad,

 

en in de blik van vrienden en beminde

ziet men vervreemding reeds weerkaatsen, vat de hoed

en zegt dat men nu waarlijk heengaan moet,

zonder een traan, een nuttig woord te vinden.

 

Men doodt de geest reeds tot een bot waarderen

van het meest kenbare, alsof de tocht

natuurliefhebberen was, men bij geen enkele bocht

de hoop meer koestert op volkomen keren.

 

Al is men onontwijkbaar wijd alleen,

men trekt langs min of meer bekende steden,

geraakt, om ’t vlotten van de reis, tevreden

en ziet, als naar een film, dom voor zich heen.

 

Kort speelt een mat, maar onvergetelijk licht

langs landen, plantengroei en volken,

en dan: alzijdig naderende wolken

sluiten dit vergezicht.


(Gedichten, vroegere en latere, 1949)

In Indië valt het afgesneden zijn van Tineke hem zwaar. Toch maken de natuur en de geuren van Batavia dat Leo zich er vrijwel meteen thuis voelt. Dankzij Tinekes vader kan hij aan de Medische Hogeschool van Batavia zijn studie afmaken. Maar aan het vrije leven met huisknecht Siman en Indonesische eekhoorns en gekko’s komt een einde als Japanse troepen in 1942 Nederlands-Indië binnenvallen.

De vredelievende Leo moet zich melden als soldaat.

‘Wat leerde ik niet allemaal. Te gehoorzamen aan mannen die minder wisten dan ik. Te schieten met een loodzwaar geweer van 1905, gewoon door met van vermoeidheid trillende handen te wachten tot het doelwit langskwam, soms een voortgetrokken pop die de wandelende jood werd genoemd zodat ik soms even aarzelde.’

In maart capituleert het Nederlands-Indische leger. Leo wordt als krijgsgevangene gedetineerd.

‘Veel van de volgende jaren heb ik weer opgehaald uit de drie magere dagboeken die ik nog heb, met tekeningen en papiertjes. Maar de gebeurtenissen liggen daarin te dicht opeen, je zou ze moeten lezen met weken ertussen waarin je voor je uit zou moeten staren, weinig eten en buikpijn hebben. Zo was het.’

(uit: De adem van Mars)

In de jaren dat Leo geïnterneerd was, eerst in Indië, later in Japan, hield hij een dagboek bij. Maar meer nog dan een verslag van de dagelijkse ontberingen en gruwelijkheden in Bandoeng, en later in Tjimahi, Tjilatjap, Osaka en Nagaoka, is dat kampdagboek een vrolijke potpourri van plaatjes, tekeningen, gedroogde planten en dieren, taalspelletjes en typografische feestelijkheden’.

In Bandoeng had Vroman nog betrekkelijke vrijheid, nu en dan kwam er aan de hekken bezoek uit Batavia. Gaandeweg werd het kamp voller. Vrienden en kennissen, onder wie Rob Nieuwenhuys, waren er eveneens geïnterneerd.

Volgens Nieuwenhuys was Vroman ‘onaantastbaar’. Hij was, meer dan andere gevangenen, in staat zijn situatie te accepteren. Hij vond ruimte ‘om dingen te doen die hij interessanter vond dan de dagelijkse orde van het kamp’. Bijvoorbeeld het overschrijven van letters uit het Maleis en Arabisch, om zich zo te oefenen in die talen. Als hij honger had, haalde hij het bonnenboekje van Unitas tevoorschijn, en keek hij coupons voor diners voor 90 cent.

Kamp Tjilatjap, waar Vroman drie maanden later werd geïnterneerd, was smerig en vervallen. Leo en zijn medegevangenen moesten grassprietjes uittrekken, vliegen doodslaan tot er geen enkele meer te bekennen was, ze moesten grond bewerken en hadden corvee in de haven, terwijl Japanse bewakers schreeuwend rondliepen. Gevangenen werden geslagen. De kampcommandant liet hen gehoorzaamheid tekenen aan de keizer van Japan en er waren urenlange appels: ‘Het was doodstil op de zweepslagen na die iemand dus kreeg’.

‘Juli 1942:  “Gisteravond invullen van trouwbetuiging aan jap. leger, gesteld in jap. en maleis. Tafels met lampen achter 't officiershuis. Invullen: naam; woonplaats van de ouders – na aarzeling. 0.45 u. aantreden (5 belslagen). Overste Hamming + ordonnans weggevoerd in cachot en 4 man, omdat ze enkele formulieren hadden verfrommeld en dus het jap. Rijk beledigd, met riem geslagen & getrapt. Stonden toch telkens in de houding. Eén over het veld geslagen. […] Daarna zei tolk Rosenthal: “Wie jap. bevelen niet wenst op te volgen, moet maar naar voren komen; en wie dit begrijpt, dat hij het begrepen heeft, moet maar naar voren komen, wie het niet begrepen heeft. En ook wie denkt dat Hiroyama verkeerd heeft gedaan.” Daarna moesten we op de knieën liggen naar 't Noorden en luid “wakarimashta” roepen zó dat Tenno Heika in Japan het zou kunnen horen. Hoofden diep buigen (luit. Weisz door H. = bruintje beer = brullie afgeranseld). Tolk: “Zo doen de jap. ook als ze een trouwbelofte afleggen, ook aan God, hun tempel.” Hiroyama weg. Belde om 1.30 op. 1.45 opstaan; “bij wakare rusteloos weggaan zodat niets te horen is.” Onder 't knielen dacht ik: “hoe weinig onaandoenlijk”, bij ranselen: “net echt.” Schrok van de filmachtigheid toen de schaduwen van Hamming + soldaat op tegenoverliggende wand werden vergroot. Vandaag is, zegt men, overste H. vrijgelaten met toegift van een blik bruine bonen. (Hij had eerst van de jap. zelfmoord moeten plegen). Keuken krijgt 1 zak rijst + 1 zak suiker extra en groente uit blik! (Na inrukken zijn gisteren nog duimafdrukken gemaakt). Totale verduistering. Er zijn pisangschillen in de vuilnisbak!!’

Het gedicht ‘ Borstvogel’, dat in Tjilatjap ontstond, weerspiegelt hoe hij zich er gevoeld moet hebben. Op zichzelf teruggeworpen. Als de vogel moet hij de kracht om te zingen halen uit zichzelf, tot uitputting volgt.

Borstvogel

 

Hijs mij omhoog tot voor mijn blik

de sterren scheren langs de kooi

en kleur verschieten in mijn tooi

die keert wanneer ik naar hen pik.

 

Ik ben de vogel in mijn borst

die zingen kan als hij zijn kleed

in plokken losrukt en het eet.

Hij proeft alleen maar dorst,

 

geen water wreekt zijn bitter maal;

en toch: wanneer hij zich bespaart

één laatste veerpluim in de staart

verliest hij zang en taal.

 

Dan is het ongezongen lied

– hoe diep de nacht of purper licht –

en het ondenkbaarste gedicht

voor hem nog niet.

 

Hij beidt zijn eigen dag vol hoop

dat hij met stoppels in de stuit

zijn jubelende kreten uit.

Dan sterft hij aan de doop.


(Gedichten, 1946)

In Tjilatjap heersten veel ziektes. ‘Intussen was er zomin veel te doen als veel te eten. Sommigen van hen kregen beriberi, en sommigen van hen stierven.’ Ook Leo werd met dysenterie in de ziekenbarak opgenomen. Toen het kamp begin 1943 werd ontruimd, werden de gevangenen overgebracht naar Tjimahi. Dat was vergeleken met Tjilatjap een ‘oase’. Er werden handeltjes gedreven en met de toneelvoorstellingen en concerten die werden georganiseerd, had het ‘zelfs iets feestelijks’, vond Vroman, die er opnieuw ten prooi viel aan dysenterie.

Na een half jaar wordt Leo weer op transport gezet. Naar Japan, per boot. Hij zag er inmiddels uit als een ‘jong vogeltje: schraal, dunnetjes en armzalig’, volgens vriend Jan Boon (de schrijver Tjalie Robinson), die Vroman in Tjimahi had leren kennen en die ook ingescheept was op het overvolle schip. In Osaka, het werkkamp waar hij terechtkomt, staat hij in de dokken: tien tot twaalf uur per dag palen sjouwen, modderige scheepswanden en -vloeren schoonmaken.

‘We kregen dikke koude uniformen van een soort papier, ondergoed van dun flanel, we verloren in dat anderhalve jaar vijfentwintig procent, vooral aan pneumonie.’

(Warm, 1994)

Het was altijd januari in Japan.

Wij werden dunne kromme voorwerpen waarvan

stillevens fraai te schilderen waren

met een penseel van dertien haren

op een gebarsten blok beton


(Almanak, 1965)

Vroman wordt in Japan zo ziek dat hij de dood kan aanraken. ‘Op een vroege morgen werd ik wakker met een heerlijk gevoel: ik was beslist ernstig ziek en had koorts, niets was werkelijk, toen er werd aangetreden bleef ik liggen, toen de Japanner tegen mij schreeuwde en in mijn gezicht sloeg kon ik alleen maar glimlachen (…).’ Hij heeft koortsvisioenen, mannen om hem heen sterven, maar Vroman overleeft.

Op 15 mei 1945, als in Nederland de oorlog voorbij is, wordt hij ‘in een trein geladen’ en naar Nagaoka gebracht. Daar wordt hij tewerkgesteld in een carbidfabriek, eerst binnen, later mag hij buiten manden sjouwen. Onder toezicht van opzichter Kadjiyama, ‘die niet alleen mooi en jong was maar ook meegaand en rechtvaardig’. Drie maanden later, na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, is ook de oorlog in Japan voorbij.

Even lijkt het erop dat Vroman, net als veel andere ex-krijgsgevangenen, teruggestuurd zal worden naar Nederlands-Indië, een nieuwe oorlog in. Hij weigert, dreigt zijn superieuren dood te schieten als hij moet gaan.   

Dat Tineke nog in leven is, weet hij dan pas net.

‘Ik heb juist een brief van mijn meisje gekregen welke demonstreert dat mijn verloving zeer is toegenomen. Nu nog staan slechts enige oceanen en luttele continenten (hoogstens een halve en een of andere militaire dito) tussen mij en het Leven.’

(J. Greshoff en Leo Vroman, Brieven over en weer, 1977)

Ondanks vijf wrede jaren – de vlucht voor de Duitsers, het gescheiden zijn van Tineke, de ontberingen in de kampen – heeft de oorlog Vroman niet haatdragend gemaakt. Hij wilde liever het goede dan het kwade zien, voor hem, als bioloog, was een bewaker ook een mens. Die gulle vergevingsgezindheid uitte zich na de oorlog ook in poëzie. Voor Kadjiyama schreef hij een lang gedicht, noemde hem ‘vriend en bewaker’.

Ach nee die droefheid is gedoofd

ik droom zelfs niet van toen

als jij mij ten minste belooft

dat ook niet meer te doen

 

maar je was zo toegewijd

zou tot stervens toe vechten.

Hoe en vooral waarom

houdt zich je toen zo rechte

smalle rug in vredestijd?

Toe loop maar een beetje krom


(uit: Avondgymnastiek, ‘Voor Kadjiyama, vriend en bewaker’, 1983)

Ach nee die droefheid is gedoofd

ik droom zelfs niet van toen

als jij mij ten minste belooft

dat ook niet meer te doen

 

maar je was zo toegewijd

zou tot stervens toe vechten.

Hoe en vooral waarom

houdt zich je toen zo rechte

smalle rug in vredestijd?

Toe loop maar een beetje krom


(uit: Avondgymnastiek, ‘Voor Kadjiyama, vriend en bewaker’, 1983)