Liefde is het enige

 

Menige verzen heb ik al geschreven,

ben menigen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven:

liefde is het enige.


(uit: ‘Voor wie dit leest’, Gedichten, vroegere en latere, 1949)

12 oktober 1938, studentenvereniging Unitas organiseert een novietenavond: nieuwe leden kunnen kennismaken met ouderejaarsstudenten tijdens een diner. Leo Vroman, zesdejaars student biologie, is er ook. Hij zit aan tafel naast ‘een grote jongen die aardig was en pokdalig’. Een stoel verder zit een noviete, met zwart haar en een vreselijk nette scheiding, en een ‘kalmerend bruine huid’. Als de pokdalige jongen vertrekt, zit Leo plotseling naast haar. Van het verhaal van de nadere kennismaking bestaan meerdere versies. Leo herinnert zich het ’t liefst zo:

‘Ik zag bovendien dat ze nauwelijks at, stelde mij dus aan haar voor, ze zei dientengevolge dat ze Tineke Sanders heette en ik vroeg of ze soms wat van mijn rijst wou hebben. Ze keek nu pas in mijn ogen, en schudde haar hoofd. Meteen werd de achtergrond als een wand van beschilderd karton en verdween de eetzaal tactvol en bescheiden, op geroezemoes na, en ik dacht letterlijk: Godallemachtig! Ik zit naast mijn vrouw! Ik geloof niet dat ik de rest van de avond nog iets tegen iemand, zelfs tegen Tineke, heb gezegd, ik moest dringend weg, ik liep door de donkere Nobelstraat en schopte eventjes – dat weet ik nog duidelijk – een leeg blikje voort, vroeg me toen af waarom: was ik boos dat mijn jeugd voorbij was? Bang voor de verantwoordelijkheid? Verbijsterd door mijn onvermogen om het noodlot te veranderen? En wat nu?’

(Warm, 1994)

Waarschijnlijker is het dat ze elkaar kort daarvoor al eens ontmoetten. Maar veel maakt dat niet uit. Leo wist toen hij de jonge – ze was pas zeventien –, lieve, verlegen, Indische Tineke had ontmoet: zij is mijn thuis.

 

Tineke vond Leo na die eerste ontmoeting een ‘lief oud mannetje’. Ze voelde zich bij hem vertrouwd, maar halsoverkop verliefd was ze niet. Ze spreken een paar keer af. Leo, vol van liefde, polst bij de ‘novieten-Ma’ of het hem is toegestaan om een noviet op zijn kamer uit te nodigen. Hij voegt eraan toe dat hij ‘groot gevaar liep’ verliefd te worden op dit meisje. Hij wilde haar beslist trouwen. Gechaperonneerd door haar broer Ed komt Tineke voor het eerst bij Leo over de vloer. Als Ed vertrekt, komt Leo ter zake: hij vraagt Tineke met hem te trouwen. Maar die had ‘geen idee’ van Leo’s heftige gevoelens en zegt niet meteen ja. Ze aarzelt, vindt zichzelf nog jong. Na een tijdje laat ze Leo per brief weten dat ze zijn vrouw wil worden en ze verloven zich in november 1938. Ze zijn in die tijd veel samen, ‘verkennen’ elkaar op Tinekes kamer in haar ouderlijk huis en gaan in 1939 samen op vakantie naar Zwitserland, waar Leo haar haast ondraaglijk aantrekkelijk vindt in haar skibroek.

Maar al heeft Tineke ingestemd met Leo’s huwelijksaanzoek, twijfels blijven nu en dan de kop opsteken. Ze schrijft hem: ‘Jij en ik kunnen nog geen vreedzaam rustig huisgezin stichten. We moeten eerst uitwoeden. Rare term is dat wel, maar ik bedoel alleen maar: zo van ’t leven genieten en erdoor lijden en zo dat we niet meer jaloers zullen zijn op onze kinderen wanneer die beginnen te leven.’ Ze heeft ook gevoelens voor een andere medestudent, ook een dichter, Max de Jong. Maar haar keuze voor Leo blijkt stevig en hun band groeit.

De oorlog luidt een lange scheiding in. Leo vlucht, via Engeland naar Nederlands-Indië. Aanvankelijk wil Tineke met hem mee, maar haar moeder laat haar niet gaan. Het abrupte afscheid was voor beiden een nachtmerrie. In Alles aan elkaar (2002), een dichtbundel die ze samen schreven, herbeleeft Leo in een droom de rit met de taxi naar Scheveningen:

Waarom droom ik toch altijd weer

dat ik op reis moet zonder jou?

Heb ik nog steeds niet genoeg berouw

van die ellendige eerste keer?

En Tineke antwoordt:

Dromen brachten jou ook nooit meer terug

in de lange jaren van onze scheiding.

Er was geen keus: jij moest weg, ik moest blijven.

Waar zit de schuld? Er valt niets te vergeven,

wij hebben betaald.

Pasfoto Tineke, begin 1940

Eenmaal in Indië probeert Leo zijn eenzaamheid op afstand te houden met een fotootje van Tineke. Veel contact is er niet, want directe post tussen Nederland en Indië is verboden. En de weinige brieven die er zijn, zijn om redenen van censuur nauwelijks persoonlijk. ‘Leuk om zoveel over je kamerinrichting te horen Leo,’ schrijft Tineke in 1941.

Als Leo in 1942 onder de wapens moet, realiseert hij zich dat hij Tineke misschien wel nooit meer ziet. Hij schrijft haar op 6 februari een brief, die zich laat lezen als een afscheidsbrief.

1
foto's

Mijn allerliefste,

Deze brief schrijf ik je omdat het steeds minder zeker wordt of we elkaar nog in dit leven terugzien. Ik ben in dienst bij de Landstorm, loop wachten in Batavia en omstreken, Oost-Java is hier en daar al gebombardeerd en de kans dat ik vroeger sterf dan ik hoopte is dus wel gestegen.

(…)

Tineke ontving de brief niet, omdat hij nooit werd verstuurd. En dan verstomt het definitief. Tineke schrijft brieven aan Leo – ’Leeuwis, Leeuwtje’ – in haar dagboek. En Leo putte in de kampen, uit zijn diepe, allesomvattende verlangen naar Tineke, de kracht om door te gaan. De gedachte aan haar hielp hem door de oorlogsjaren heen. ‘In zijn hoofd, in zijn hele lijf en leden, was Tineke er altijd. Toen hij zijn gezicht wegdraaide voor de stokslagen in Tjilatjap, toen hij moest knielen voor de Japanse keizer in Bandoeng, toen hij haast niet meer wist waar hij was van de koorts in de ziekenbarak in Osaka,’ schrijft Mirjam van Hengel (Hoe mooi alles, 2014).

Dat hij intens aan Tineke dacht, uitte zich in kleine dingen die hij maakte, kunstwerkjes. In Tjilatjap vond hij een majongsteentje. Daar begon hijmet een geslepen stuk ijzerdraad een sfinxje in te graveren, het diertje uit mijn vervolgverhaal dat eigenlijk Tineke voorstelde, en op de achterkant kraste ik dus in klassiekerige letters langs de randen: “Totty de sfinx/ die voor/ Tineke/ is” zodat je kon blijven lezen.’ Het gegraveerde steentje leverde hem bij een tentoonstelling in het kamp een extra schep soep op. ‘Ik heb verzamelwoedheidshalve nog steeds zowel het ding (dat Tineke wel eens draagt) als de kaart met het prentje van de druipende lepel.’

Een van de slangen in de kampdierentuin noemde hij Peter, naar Tinekes broer. En later, op weg naar Japan, maakte hij van een ‘prachtig soort zeskantige noot met steenharde dikke schil’ een hanger voor Tineke, waarin hij tafereeltjes graveerde.

Ook marcherend naar zijn werk in de dokken van Osaka voelde hij zich door Tineke vergezeld. In zijn hoofd ontstonden lange zinnen voor de novelle Trihinde. ’s Avonds in de barak schreef hij wat hij bedacht had op ‘keurig wc-achtig papier’, waarbij ‘veranderingen (…) om verscheurbare en gumloze redenen onmogelijk’ waren. Het boek werd na de oorlog uitgegeven als Tineke (1948). ‘Het was een verhaal waarin Tineke leefde alsof ze mij was, in Gouda.’

Eind augustus 1945. De oorlog is voorbij, ook in Japan. Het kamp wordt ontruimd, de Nederlandse ex-gevangenen worden overgebracht naar Manila. Vandaar schrijft Leo voor het eerst weer een brief aan Tineke, nadat hij via familie heeft gehoord dat ze nog leeft.

 

Meizebees – wat moet ik schrijven? Ik weet niet of je dood bent of getrouwd (ik stel me het ergste voor uit angst voor tegenslag: dat je weduwe bent en twee Duitse imbeciele kinderen hebt en een houten been) – of nog steeds zo ontstellend lief als je vroeger was. Het zou waanzinnig mooi zijn als je nu nog met me zou willen samenzijn en trouwen. Want ik heb in krijgsgevangenschap geen mogelijkheid gehad je ontrouw te zijn (homoseksueel ben ik goddank niet geworden) (…).’

Tineke raakt ‘in de war van opwinding’ van het bericht dat Leo nog leeft en nog steeds van haar houdt. Ze schrijft terug: ‘O Leeuwis ik heb al die jaren niet kunnen geloven dat het uit zou zijn tussen ons, zelfs niet door je dood. Ik heb me steeds met je verbonden gevoeld.’ Het is het begin van de ontelbare hoeveelheid indringende, geestige, liefdevolle, intieme brieven die ze elkaar zullen schrijven. Want zien kunnen ze elkaar voorlopig nog niet.

In de winter van 1945 reist Leo naar Amerika om vandaaruit door te gaan naar Nederland, maar op aandringen van zijn oom Isidore Snapper blijft hij in New York, een besluit waar hij zijn hele leven spijt van heeft. Hoe heeft hij dat zomaar kunnen nemen? Hij stuurt Tineke een brief: ‘Liefste, ernstige vrouw van mij; schrik niet: ik blijf voorlopig hier!’

Op 9 september 1947 komt ook Tineke aan in Amerika. Met de boot, in de haven van New York. Een hereniging na zeven jaar scheiding, wat ze hun hele leven ‘zijn blijven inhalen’. Ze trouwen een dag later en zijn dat meer dan zestig jaar gebleven. Hun liefde iedere dag een beetje inniger. De gedichten over Tineke in het oeuvre van Vroman zijn talloos.

 

 

Ik voel je

in de krans van mijn haast verdorde

armen lekker oud worden.

Dronken op elkaar drinken

is iets wat we nooit doen

maar heb ik mijn bril op als ik je zoen

dan klinken de vier glazen of wij klinken.

 

Je haar, dat eens naar nacht en regen rook,

geurt nu naar hete zonneschijn,

’s nachts ook.

Over nog een paar jaar

misschien

wordt je haar verblindend licht.

Dan kan ik je nog zien

met mijn ogen dicht.


(Uit: De gebeurtenis en andere gedichten, 2001)

Geen brief laat Leo onbenut om zijn liefde voor Tineke te belijden. Soms met snoezige vergelijkingen, zoals aan Jan Greshoff: Tineke is zo lief dat ik er bijna vanillepudding van word.’ Maar ook in bijna nonsensicale bewoordingen, alsof voor een liefde zo bijzonder als deze gewone taal niet toereikend is: ‘Tineke, die zoals U al gemerkt zult hebben, uitsluitend uit lieftalligheid bestaat, is zo primzeltatebabserig dat haar tuitepaantje er helemaal wieneloeps van is en ik beslist een paar minuten moet tatepruitelen, liefst buiten, tot ik weer tegen het prietelen van haar plopse huteketaten kan. En zo zou ik nog jaren door moeten schrijven als ik U een juiste indruk zou willen geven van dit vachtademige wezentje.’  


Met het ouder worden duikt de gedachte op dat ooit de een eerder zal gaan dan de ander. Leo schrijft:

Ik eerst?

 

Zie ik dan nachtelijks hoe jij ligt

in jouw helft van ons bed

met je slapeloos gezicht

naar de lege helft gericht

die door mijn wegzijn blijft bezet?

 

Hoe durfde ik, denk ik zelf dan,

hoe durfde ik jou te verlaten

voor die afstand, levensgroot,

die zich hulpeloos vergroot?

 

Daar sterf ik toch het ergste van?

Schreeuw ik vanuit vergroeiende gaten

‘Ik wil niet zo dood!’?

Niet zo dood

Tineke hoopt dat ze ook na hun dood verstrengeld zullen blijven:

Maar ik wil blijven leven zolang jij nog leeft

en daarna leren zonder jou te bestaan.

 

Als ik dan heenga, en liefst niet veel later,

laat het dan vlug zijn en bij mijn volle verstand,

en met alles keurig achtergelaten.

 

Maar wij willen dat men ons zal verbranden.

Misschien dat onze dochter jouw as en de mijne

dan zal vermengen en in water vervloeien,

of in haar achtertuintje begraven.

 

Of desnoods in één zak bij het vuilnis zetten.

Wat ze ook doet, dan wel met ons samen.


(Alles aan elkaar, 2002)

De bijzondere geschiedenis van de liefde tussen Leo en Tineke Vroman werd gedocumenteerd door Mirjam van Hengel. Zij kroop in Hoe mooi alles. Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd in de duizenden brieven die ze elkaar schreven, het kloppende hart van hun liefde. Deze brieven waren éénmaal ter inzage en liggen nu weer verzegeld in het Literatuurmuseum. ‘In dat museum in Den Haag / slaapt het stapeltje hete / brieven die we elkaar schreven / meer dan een halve eeuw geleden.’ Het boek werd een toneelstuk met in de hoofdrollen Kees Hulst en Esther Scheldwacht. Over deze grote liefde werd in 2009 door Ike Bertels een documentaire gemaakt, Soms is liefde eeuwig.

De lekkere vermindering

 

Fijn hoe we samen passen

want we zijn aan het verminderen,

maar we hebben al volwassen

en schattige kleinkinderen.

 

Elk van ons mag nu vergeten

wat de ander nog blijkt te weten:

waar iets moet opgeborgen

en waar het vooral niet hoort,

of het ochtend is of morgen

enzovoort enzovoort.

 

Zo kunnen wij gewoon

nog lekker samenwonen

hoewel meer als 1 persoon

dan als twee personen

 

en hoe kleiner hoe warmer wordt

wat en waarmee ik bemin.

En zo wordt het begin

van de dood nog wat opgeschort.

 

En ik merk dat ik nu van

de buitenwereld niets meer mis.

 

Als dat geen liefde is

wat is het dan

 

(Die vleugels II, 2015)

 

Overschot

 

Wat zal er van mij over zijn

als ik lichamelijk verdwijn?

Boeken, bleke tekeningen,

schoenen, sokken al die dingen

waarin ik mij nog na laat strelen,

maar het vele zal vervelen,

de op te vouwen, weg te zetten

foto’s, foute zelfportretten,

al het jouwe en het mijne

zal als morgendauw verdwijnen

met het verdampende verdriet.

 

Maar onze liefde, nee, die niet.

Die woekert als wikke langs een grond

die ogenblikkelijk bestond.

Mensen die niets van ons weten

door onze liefde lief bezeten

zullen onze dingen doen en

zoenen en zoenen.


(Die vleugels, 2013)