Bleke tekeningen

 

Wat zal er van mij over zijnals ik lichamelijk verdwijn?
Boeken, bleke tekeningen,schoenen, sokken, al die dingen

(uit ‘Overschot’,  Die vleugels, 2013)

‘Onze ouders hadden groot respect voor Kunst en Literatuur als dingen om naar te kijken en te lezen en daar misschien Beter van te worden, maar vooral niet als dingen om te Doen. Ze vonden mijn gekunst toch wat eng, zelfs al liet ik ze nooit de verzonnen en toch vrij goed geschaduwde naakten zien.’

(Warm, 1994)

Op school tekende Leo zijn schriften al vol. Schetsen en krabbels tussen de aantekeningen door. Hij had talent, maar hoe groot dat was werd pas duidelijk toen hij ging studeren. Hij begon te tekenen voor het studentenblad en ontwierp decors voor de voorstelling Ubu roi van Alfred Jarry. Die werd opgevoerd door de toneelvereniging van Unitas en geregisseerd door zijn vriend Anton Koolhaas. Jaren later, bij Vromans zestigste verjaardag, zei Koolhaas over die tijd: Hoewel biologie een zware studie was, vond Leo die een zeer briljant verstand had, vrij veel vrije tijd om de ongemeen speelse kant van zijn wezen in stand te houden en te ontwikkelen en experimenteerde hij veel met poëzie zowel als met proza en ook zeer veel met tekenen.’

Samen met Koolhaas maakte Vroman ‘Stiemer en Stalma’, een strip voor jonge kinderen die vanaf 1937 verscheen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Koolhaas schreef de tekst en Vroman maakte de tekeningen. ‘Ik hield veel van zijn stukjes verhaal, al kwamen ze soms zo laat in Utrecht aan dat ik maar enkele uren had om ze te illustreren en dan in de nacht achter een tram aan moest hollen om de meesterwerken in het brievenbusje te steken dat eraan hing.’ Voor de jeugdpagina tekende hij tot 1942 elke week een cartoon van een aapje.

Rond het uitbreken van de oorlog stopte de publicatie van ‘Stiemer en Stalma’, maar in 1957 werden de verhalen gebundeld tot een boekje. En een paar jaar later, in 1961, pakten Koolhaas en Vroman de strip weer op: tot 1963 verschenen er nieuwe Stiemer-tekeningen in de Volkskrant.

Een ‘veeltekenaar’ noemden vrienden hem wel, want niet alleen werkte hij in opdracht, en verzorgde hij illustraties bij teksten van anderen, hij maakte ook ‘vrijer werk’: ‘wilde fantasieën’, die sommigen aan Georges Braque en anderen aan kindertekeningen deden denken.

Ook toen Vroman net in Indië was, tekende hij veel. Tekenen werkte ‘kalmerend’ en was, omdat ‘er wel tijdschriften waren die iets van mij wilden hebben’, een manier om in het onderhoud te voorzien. Hij maakte illustraties voor kinderboeken, liefst sprookjes: ‘Die boeken à la Keesje moet naar bed of Pa in de werkplaats zijn ellendig om te illustreren.’

Ook illustreerde hij het wonderlijke I was Hitler’s maid, een ‘rotboek’ vond hij het.

Het tijdschrift Actueel Wereldnieuws en Sport in beeld publiceerde Vromans strip ‘Totty de sfinx’, met in de hoofdrol een sfinxachtig meisje dat wel wat weg had van Tineke. Over de vorderingen schrijft hij Greshoff: ‘In Totty laat ik een muis voorkomen, geheten Joepiepiet (zoon van Joepiepa en Joepiema), die de wegwijst’.

‘Sophie’, een stripje over een oude gekko met een wandelstok, verscheen in het Indisch Weekblad, net als de cartoon ‘Baby’.

In de kampen was het materiaal schaars, maar Vroman was vindingrijk: hout, een noot, een gevonden mahjongsteentje, het kon gebruikt worden voor tekeningen of ander beeldend werk. ‘Ik hielp ook wat; maakte houtsneden bij gedichten die anderen of zich herinnerden of werkelijk in tijdschriften bij zich hadden, zodat we een heel boek konden maken dat (door Rob Nieuwenhuys geloof ik) Onschendbaar Domein werd genoemd. Er werd een soort doorslagpapier gemaakt van de hemel weet wat, roet en kaarsvet, zodat er een kamptijdschrift kon verschijnen en daar had ik soms iets in staan.’ (Warm, 1994)

Maar het meeste van wat hij maakte – in de kampen tekende hij zelfportretten, ontwierp spellen, kinderboeken – heeft de oorlog niet overleefd.  De dagboeken die hij in die tijd bijhield zijn er nog wel. En ook die zijn vol gekrabbeld met tekeningetjes van planten, van dieren, van kampgenoten en bewakers.


Eenmaal in New York is hij aanvankelijk van plan om van het tekenen te gaan leven. De dochter van Isidore Snapper brengt hem in contact met een illustratie-agent. ‘En die had een uitgeverij gevonden waar een boek over atoomenergie werd gemaakt, geschreven door een boeiende fysicus en science-fictionman. Ze was erg behulpzaam en hielp mij bijvoorbeeld in een onenigheid met de uitgever: ik wou namelijk muizen gebruiken om te laten zien hoe een atoombom gebouwd werd en zo.’ Het illustreren levert hem een redelijk maar onregelmatig inkomen op. Dat verandert pas als hij onderzoeker wordt in New Brunswick. Het illustreren is geen broodwinning meer, en Vroman wordt meer en meer ‘illustrator’ van zijn eigen wetenschappelijke artikelen en zijn poëzie.

Manke vliegen

 

8

 

Waarom schrijven dichters vaker dat zij het licht,

het strand zijn, of haar ogenblik?

Ik ben Leo Vroman, ook in dit gedicht,

en niemand is meer of minder gras dan ik.

 

 

Dat menselijke is juist het leukst van mijn gezicht.


(Manke vliegen, 1963)

Halverwege de jaren vijftig zit hij tijdelijk zonder werk. Vroman hoopt op een Ph.D.-aanstelling en bezoekt enkele universiteiten. Behalve zijn wetenschappelijke cv, neemt hij ‘om eventueel verzekerd te zijn van een ander inkomen’, ook een paar tekeningen mee: die wil hij op de kunstafdeling laten zien.

Hij tekent in die periode graag met potlood: ‘want potlood is zo ontspannend, vooral als je er zachte rondingen mee schaduwt, dus ik maakte blote mensen die in ronde schelpen overgingen en handen die iets anders werden, maar ook een stuk boombast waar het wemelde van de kleine naakten.’ (Warm, 1994)

Hij komt in contact met enkele New Yorkse galeries. Een daarvan, Bodley, is geïnteresseerd in een tentoonstelling. Die komt er: in 1955 wordt een aantal van zijn tekeningen geëxposeerd.

The New York Times schrijft: ‘He dreams up subjects of alarming surrealist character.’

Er zitten zeker surreële elementen in het beeldend werk van Vroman, maar contact met Nederlandse surrealistische kunstenaars was er niet of nauwelijks. En meer dan dat zijn tekeningen aansluiting zoeken bij een kunstzinnige stroming, meer dan dat ze bedoeld zijn als ‘kunst’, zijn ze een voortvloeisel van wat Vroman dagelijks ziet, meemaakt, denkt en droomt.

Kattebelletjes, brieven, dagboeken, in eigenlijk alles wat Vroman schreef ontstonden als vanzelf ook tekeningetjes. Brieven voorzag hij van snelle illustraties: een routebeschrijving, met gebouwen en straten, of een paar karikaturale figuurtjes om een anekdote op te luisteren. Een nauwelijks opzienbarend gebeurtenisje als een paar werklieden die hekken versjouwen, het kreeg in zijn dagboek ook een tekeningetje.

Maar vooral krabbelde hij talloze ‘scribblings’. Snelle, licht absurdistische portretjes van zichzelf in slordige lijnen in potlood, pen of stift, als huishoudelijke berichtjes voor Tineke. Magere mannetjes met pretoogjes, een buitenproportioneel grote neus, een stapel brieven in de hand, en de woorden ‘ik ben even de post halen’. Of een vlugge schets van zichzelf die snuffelend als een hond de trap af loopt bij de mededeling:Blood pressure day Al naar beneden!’

‘Juist vóór de oorlog wilde ik beginnen met olieverfschilderen; één les heb ik gehad (bij Frank)! Telkens als ik eens thuis kom streel ik mijn penselen, om de circulatie der schilderhormonen in mijn achterhoofd te bevorderen.’ Dat schrijft Vroman in Indië, kort voordat hij geïnterneerd wordt. Pas later, in de jaren vijftig, pakt hij het schilderen met olieverf weer op. Hij schilderde in die tijd vooral zichzelf, de kinderen en Tineke. Meest bekend – en meest geslaagd naar Vromans idee – is een portret van haar met rode sjaal, dat jarenlang in hun woonkamer heeft gehangen.

 

Tineke met rode sjaal, 1952.

‘Ik was wel al een tijdje eerder begonnen met het schrijven van computerprogramma’s waaruit beelden ontstonden, met de bedoeling mijzelf te laten zien dat ‘mooi’ datgene is waar we een soort wetmatige oorzaak in beseffen zonder te weten wat die wetten zijn. ik was daar lang geleden mee begonnen met mijn Atari en speelde ook wel wat met onze lab Apple, tussen proeven in en gedurende de lunch.’

(Warm, 1994)

Vroman zag al vroeg dat de computer nieuwe mogelijkheden kon bieden bij het tekenen. Hij raakte in de jaren tachtig nogal geïnspireerd door het ‘fractal-model’ van de wiskundige Mandelbrot. Dat stelde dat grillige, ogenschijnlijk ingewikkelde patronen – verschijnselen als het verspreiden van een virus – verlopen volgens een principe van zelfherhaling: wat je in het klein ziet, gebeurt ook in het groot. Het is een verschijnsel dat via computertekeningen zichtbaar te maken is, dan ontstaan er varenachtige structuren en spiralen, die ook fractals heten.

Vroman probeerde programma’s voor fractals te schrijven, maar erg tevreden over het resultaat was hij niet.

 

Enthousiaster raakt hij over de chaostheorie, een abstract mathematisch model dat sterker met de werkelijkheid verwant is dan alle andere modellen die ik ken’.

 

‘Het begon als een grapje: hoe “teken” ik digitaal blaadjes, stengels, bergen. Hoe zet ik genetische bouwplannen, de wetmatigheden van de natuur om in computertaal? Dat was niet zo erg moeilijk, maar je krijgt dan hele saaie, onnatuurlijke gelijkvormigheid! Hoe zou de natuur erin slagen om elk blaadje, elke cel, elk kevertje nèt even anders te laten uitgroeien dan een andere? Waar zit het geheim van de natuurlijke variatie? Ik denk het antwoord gevonden te hebben in de chaostheorie. Die stelt – simpel gezegd – dat elke gebeurtenis wordt beïnvloed door een andere (schijnbaar) toevallige gebeurtenis, één van een oneindige reeks mogelijke gebeurtenissen.

(…) Ik heb toen de formules van de chaostheorie losgelaten op mijn met True Basic geprogrammeerde basale vormen. Ik was benieuwd of ik op die manier de “natuurlijkheid”, dus de kleine afwijkingen van de van de grondvorm van levende objecten, kon nabootsen. Tot mijn grote verrassing werkten deze nieuwe programma’s zoals ik had gehoopt: op het computerscherm ontrolden zich niet alleen prachtige, natuurlijke vormen, maar ook nog elke keer verschillend, afhankelijk van minieme, door mij aangebrachte veranderingen in de uitgangswaarde voor de formules.’

Vroman tekende overal: thuis, in het lab, en ook als hij in de metro onderweg was. Daar ontstonden veel van de zogeheten ‘subway drawings’. Even realistische als fantastische tekeningen, met organisch in elkaar overlopende beelden van handen, monden, dieren en andere natuurlijke vormen. Gemaakt met balpen, een zwarte. Hij deed er zo’n vier ritten over. Documentairemaakster Jetske Spanjer filmde de dichter-tekenaar aan het werk in de metro. Hij tekende veel handen:

‘Je moet in de subway geen mensen tekenen, want dan worden ze nijdig. Mensen vinden het niet leuk om ongevraagd te worden geportretteerd. Het wordt altijd anders dan ze hopen, terwijl ik nog veel neig te veranderen ook. Daarom teken ik doorgaans dingen uit mijn fantasie, maar een enkele keer ook wel mijn eigen handen. Soms ook schoenen, maar dan ook altijd mijn eigen, want zelfs op het punt van schoenen is het met een New Yorker oppassen. Voor je het weet roepen ze: “Hey man, you call that a shoe? That’s not my shoe, is it? Hey man, I’m talking to you.”’

(interview VN, 1989)

Een ‘collage van ideeën’ noemde een medepassagier de tekeningen eens. Met die typering stemde Vroman van harte in.

 

Colofon

Tekst en samenstelling: MIRJAM VAN HENGEL, JANITA MONNA, DE VROMAN FOUNDATION

Beeldmateriaal: LEO VROMAN

Eindredactie: AAFKE VAN HOOF