Sluiten

Boudewijn
Büch

'een wereld verzinnen om
mezelf waar te maken'

de verhalenverteller

Geheel in de geest van de Romantiek raakte Büch ervan overtuigd dat poëzie voortkomt uit ‘the spontaneous overflow of powerful feelings’, zoals William Wordsworth het ooit formuleerde. Een tragisch leven was volgens hem een voorwaarde voor goede poëzie. Het probleem was alleen dat zijn leven niet buitengewoon tragisch was. 

Hoewel Büch de scheiding van zijn ouders en het gemis van zijn vader moeilijk kon verkroppen en mede daardoor van het gymnasium afzakte naar de mulo, beschouwde hij dat toch niet als het soort tragiek dat nodig was voor een succesvol dichtersleven.

In de zomer van 1968 verhuisde hij naar Leiden, waar hij een baantje had gevonden als afwasser bij V&D. Daarnaast probeerde hij zijn mo-akte Nederlands te halen aan de Vrije Leergangen in Amsterdam – een opleiding die hij, ondanks zijn gave om pijlsnel te lezen en informatie op te nemen, nooit zou voltooien. Vooral voor vakken waarin niet de literatuur maar taalkunde centraal stond kon hij nauwelijks interesse opbrengen. Büch raakte bovendien hevig afgeleid door zijn sociale leven in Leiden. Hij werd onder meer lid van de Leidse Studenten Werkgroep Homoseksualiteit (LSWH), waarbinnen hij zich al snel opwerkte tot praeses. In die rol wist hij een aantal maal de publiciteit te halen en trakteerde journalisten daarbij steevast op uitdagende uitspraken die ze maar wat graag citeerden.

 

In een interview met de Haagse krant Het Vaderland, afgedrukt op 7 maart 1970, fulmineerde hij tegen de schijntolerantie ten opzichte van homoseksualiteit:

Wij worden weliswaar niet meer in kampen gestopt […], maar we worden nog wel duidelijk gediscrimineerd en dat is heel erg in een tijd die zo modern en tolerant heet te zijn. Er bestaat wel nog een psychisch kamp en zelfs in de praktijk ook nog ghetto’s in de vorm van COC’s en nichtenbars.

De reuring en belangstelling die zijn werk voor de LSWH opleverden stak schril af tegen de brave schoolsheid van zijn opleiding. Het kostte hem dan ook veel moeite daar tijd aan te besteden, zoals wel blijkt uit de briefjes die hij zichzelf schreef.

Büch voelde zich in de schaduw staan van zijn vrienden die allemaal aan glansrijke universitaire loopbanen begonnen. Dat gevoel van minderwaardigheid compenseerde hij met wilde verhalen over twee universitaire studies, een zeer specialistisch proefschrift en een docentschap aan de Universiteit Utrecht. Lang niet iedereen geloofde dat, maar zijn vrienden stelden geen kritische vragen: ze wisten dat dat het einde zou betekenen van de vriendschap.

En die wilde niemand kwijt, want Büch was een gangmaker, een elektriserende persoonlijkheid die boordevol roddels, onwaarschijnlijke verhalen en hilarische grappen zat en mensen genadeloos kon imiteren. Büch was zich ervan bewust dat hij op die manier mensen aan zich bond en de aandacht kreeg die hij nodig had, maar daarmee hield hij zijn omgeving grotendeels een personage voor. Hij stond maar weinig mensen toe om achter de façade van betoverende verhalen te kijken, vermoedelijk bang dat men hem dan niet meer interessant zou vinden. In een niet-verstuurde brief schreef hij daarover:

Ik vraag me telkens af of dit nog lang moet duren. Een wereld verzinnen om mezelf waar te maken.

Maar ook deze verzuchting kon hij nauwelijks kwalificeren als Grote Tragiek. Daarom dwong hij het leven in de juiste vorm. Novalis had tenslotte geschreven dat de wereld geromantiseerd moest worden; Büch begon met zijn eigen dagboek.

Büch beperkte de vermenging van feit en fictie niet tot zijn romans en gedichten: ook in zijn dagboeken, brieven en gesprekken met vrienden liepen beide dwars door elkaar. Daardoor beseften maar weinig mensen hoe sterk Büchs geleefde en beschreven werkelijkheid in elkaar overliepen.

Lees hier meer over in ‘De Büchiaanse komedie’