Sluiten

Boudewijn
Büch

'een wereld verzinnen om
mezelf waar te maken'

de dagboekschrijver

Omdat Büchs dagelijkse werkelijkheid niet bijzonder tragisch was, herkneedde hij zijn leven op papier. In zijn dagboeken ontrolde hij een leven dat bol stond van zwart-romantische elementen die varieerden van een verwoestende opiumverslaving tot scandaleuze liefdes. 

De scandaleuze liefde die Büch in zijn dagboeken het meest opvoerde, was zijn liefde voor jonge jongens. Schreef hij aanvankelijk nog over fictieve jongens, na verloop van tijd gingen de dagboekpassages over jongens die bij hem in de buurt woonden, zoals Werner – het zoontje van een bevriend stel: 

Hoewel deze jongens een steeds prominentere rol in zijn dagboeken gaan spelen, lijken ze toch meer op personages in een tragisch verhaal dan op een werkelijke bron van verlangen. Doorhalingen en stelligere herformuleringen duiden erop dat deze passages vooral een literair experiment waren:

Het lijkt me is afschuwelijk je lichaam te voelen. Ik wil je geheim niet aanraken. Ik wil je niet vasthouden terwijl ik warm ben van wellust.

Hoezeer deze passages constructies zijn, blijkt ook wel als Büchs dagboekaantekeningen worden vergeleken met zijn dagelijkse leven. Uit interviews en persoonlijke archieven van vrienden blijkt dat de onmogelijke liefde waar hij in deze periode mee worstelde geen kleine jongen is, maar een jonge vrouw van zijn eigen leeftijd: Willemijn de Jong, die hij een paar jaar eerder had leren kennen als souffleuse van een schooltoneelstuk. Hij was sindsdien verliefd geweest op het meisje met haar ‘pallisander [sic] ogen’, zoals hij haar omschreef in een gedicht (gedateerd ‘15-7-1966):

Na jaren smachten kregen ze een relatie, maar het geluk mocht niet lang duren, want al snel verhuisde Willemijn naar Zwitserland. In zijn dagboek maakte Büch een opzet voor een brief aan haar, waaruit duidelijk wordt hoe hij grip probeerde te houden op zijn emoties door er literatuur van te maken:

Ik heb van jou een jongentje [sic] van 8 jaar en 7 maanden gemaakt. Op een klein rood fietsje. Daar ben ik verliefd op.

Niet alleen in zijn dagboeken en brieven schrijft Büch opvallend expliciet over zijn zogenaamde pedofilie, hij maakt dit ook tot hoofdthema van zijn eerste dichtbundel.

Lees meer over Büchs debuut in ‘Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs’