Zeven overwegingen bij een brief van Hugo Claus aan Simon Vinkenoog

door Philip Huff
Vanuit Oostende schreef Hugo Claus in 1955 zijn Nederlandse vriend Simon Vinkenoog een brief met ‘drie versjes’ uit De Oostakkerse gedichten die Vinkenoog kon opnemen in een herdruk van Atonaal of in een andere bloemlezing. De brief inspireerde Philip Huff tot de volgende zeven overwegingen.

1) Waardering van collega’s is de hoogste vorm van vleierij, ook voor schrijvers.

Dit weet ik niet alleen door mijn eigen omgang met schrijvers, ik weet het ook uit de biografieën, de brieven en andere archiefstukken van het museum. Het is het pantser tegen de potentieel havenende mening van critici en andere (professionele) lezers.

2) Schrijvers schrijven, ja maar ze schrijven om gelezen te worden – ook de schrijvers die dat ontkennen. Een klein beetje hypocrisie is de zelfbeschermer niet vreemd. Opname in een bloemlezing is fijn.

3) Er is een moment dat een gedicht geboren wordt. Ik weet niet of dat met een beeld (een geliefde die niet meer om je lacht), met een zin (‘En in mijn vermoeide zinnen / Waar eens je lach in brak’), of een gevoel of inzicht is, later die dag (‘Ze lacht niet meer om mij’), maar wat zeker is: er is een moment dat een gedicht geboren wordt. Daarna moet het op zichzelf de wereld in: als los gedicht, in een bundel van de dichter, of, eventueel, in een bloemlezing.

4) Volgens de Frans-Tsjechische schrijver Milan Kundera (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan) valt het de mens te verwijten dat hij blind is voor ‘het mysterieuze samenkomen van omstandigheden’ – waardoor zijn leven de dimensie van schoonheid verliest.

Wellicht, denk ik dan. Maar niet iedereen heeft – bijvoorbeeld – Hugo Claus’ hoofd met ogen die de schoonheid zien, het mysterieuze samenkomen.

Wat iedereen dan weer wél heeft, is de kans / mogelijkheid Claus’ gedichten te lezen, een kijk in zijn kop te nemen. In zijn gedichten, in zijn bundels en in bloemlezingen. Claus’ poëzie lezen is een buitengewoon genot, anders dan (hoewel niet beter of slechter) chocolademousse, dansen, en xtc.

 

Er zou in elk leven dus een tijd moeten zijn dat de mooiste gedichten van Claus worden voorgeschoteld: zelfs als de poëzie niet iemands interesse heeft. Een gedicht kan je wereld veranderen, al is het maar door het stof van de dingen af te slaan – of je iets te geven wat daarvoor nog niet bestond.

5) Wat zijn die ‘mooiste’ gedichten dan? (De Italiaanse romancier Italo Calvino zou zeggen: de gedichten die nooit klaar zijn te zeggen wat ze te zeggen hebben.) Wie bepaalt dat?

De bloemlezer. En soms is dat de dichter zelf.

6) In het archief van het museum zijn de notitieblokken en versievellen van vele schrijvers te vinden, de verschillende stadia van de geboorte van gedichten en romans: indrukken, zinnen, eerste – en latere – versies. Handschriften van drukversies zijn zeldzamer. (Waarom zou je je gedrukte werk overschrijven?) Hugo Claus (‘H.C., geboren te Brugge 1929’), de grootste dichter van België van de vorige eeuw, kwam er in 1955 toch toe.

In de lente van dat jaar (Claus had al zeven dichtbundels gepubliceerd) kwam zijn meest recente bundel, getiteld De Oostakkerse gedichten, van de drukkerClaus’ naam was voorop met een ‘K’ gespeld. Zo konden ze direct van de drukker naar de vernietiger, maar de dichter hield één exemplaar. Uit dat ene exemplaar schreef hij enkele van zijn eigen gedichten over.

Want het grote geluk voor Claus was: over zijn gedichten werd niet alleen geschreven, er werd niet alleen over gepraat, ze werden ook gelezen, door collega’s met lof overladen – en gebloemleesd.

Vanuit Oostende (‘de koningin der bad (waarom?) steden’, aldus Claus) schreef hij zijn Nederlandse vriend, collega en mede-Vijftiger Simon Vinkenoog (‘Dear Simon’) een brief met ‘drie versjes’ erin die Vinkenoog kon opnemen in óf een herdruk van zijn beroemde bloemlezing Atonaal (oorspronkelijk jaartal van verschijnen: 1951) óf een andere bloemlezing, die Claus abusievelijk ‘Atonaal’ noemt (ik ben daar niet helemaal uit).

 

Claus vermeldt in de brief (het doorgekraste letterhoofd is van B. Overzier) aan Vinkenoog dat hij 26 mei gaat trouwen [met Elly Overzier] en dat hij en zijn aanstaande een huis zoeken ‘buiten steden om, neen, niet buiten Parijs’ en gaat vervolgens verder met zijn lijstje gedichten.

Ingesloten zijn drie gedichten uit De Oostakkerse gedichten (‘3’, ‘13’ en ‘14’) die hij daarin noemt (de bundel bestond immers nog niet), en die hij dus met de pen uitschrijft: ‘Wil je dan wel onderaan elk gedicht vermelden uit welke bundel mét de datum als hierboven opgegeven’. In dezelfde alinea – en stijl – gaat Claus verder: ‘Hoe maak je het? Schrijf mij eens nader over die nieuwe poëzie, experimenteel of zoiets heet zij weer, die een paar jaar geleden opgang maakte, vnl. in Parijs.’ En iets later: ‘Over muziekjes, vriendjes, boekjes, leventjes, grapjes.’
The stuff of zijn eigen poetry, dus. (Claus en Vinkenoog woonden begin jaren vijftig samen in Parijs.)
Claus’ beste gedichten zijn de gedichten die sporen bevatten van die muziek, van die vrienden, van zijn geliefden en andere boeken, van die volle levens en van die grapjes – want Claus is een ernstig dichter, maar niet zonder spot (‘en als bibliografietje…’). Hoe dan ook, ter zake:

7) Claus’ keuze voor Vinkenoogs bloemlezing is:

  1. de aanhef uit “Zonder vorm van Proces” (1949)
  2. een fragment (je kiest het zelf, het meest lyrische misschien uit mijn boekje over “Corneille” (1951)
  3. wat je wil uit: “Tancredo Infrasonic” (1952)
  4. En de 1, 2, of 3 gedichten uit “De Oostakkerse” (1954, sic), hierbij.

Punt 4 is volgens mij een goede plek om te beginnen, en dan het laatste gedicht van die drie (‘14’) dat Claus voor Vinkenoog uitschreef. Veel plezier. (Er zijn nog veel meer dichters dan Claus; een heuse uitbarsting van namen in de bibliotheek, gelukkig maakt de ene dichter de andere alleen maar beter – en ons duidelijker waar hij of zij staat, waar wij staan).

14.

 

Is de morgen meer genadig dan

Het mes van de nacht

En waar (tussen dennen, duin of de vrouwen)

Wandelt het hart geruster dan?

 

Nader:

Is er een paard dat wild nog draaft

Als stalwaarts in ons?

 

Ontdooit over de tijd

De sneeuwsteen ooit? En de zee Begeerte,

Bevrijdt zij haar ertsen?

En hoe wij veranderen.

 

Nader:

Schors wordt de stam,

Vezel wordt de vrucht.

8) ‘Ziezo’.