Weeskinderen

door Ernest van der Kwast

Ik heb mijn kinderen nog altijd niet verteld over de dood van Sieb Posthuma. We lezen nog steeds veelvuldig zijn boeken in de grote fauteuil in de slaapkamer van mijn zoontjes (6 en 8 jaar oud). De gordijnen zijn gesloten, de jongste zit bij mij op schoot, de oudste heeft zich naast mij gewurmd – het past net. Ze hebben Sieb een aantal maal ontmoet, ook bij de presentatie van De familie Lazuriet in 2014. Het was het laatste boek waaraan hij zou werken. Ik mocht de tekst schrijven. Vier maanden na verschijning, op 3 augustus 2014, stapte Sieb op 54-jarige leeftijd uit het leven.

Ode aan de verbeelding

 

Hij had mij twee jaar ervoor benaderd, nadat hij een kort verhaal van mij had gelezen over een jongen die een vlinder probeert te kussen. We hadden in zijn studio aan de Herengracht afgesproken, een ruime werkplek met veel lichtblauw en vensters op het water. Sieb liet me zijn werk zien, maar ook de tekeningen van Tim Burton, die een grote inspirator voor hem was. Zijn wens was om een ode aan de verbeelding te maken. Toen hij nog een jongetje was, vertelde hij mij, was zijn vader op een avond zijn kamer binnengekomen. Hij had plaatsgenomen op het voeteneind en vertelde zijn zoon dat het maar eens over moest zijn met dat dromen. Dat hij daar te oud voor was geworden.

           

Het boek moest gaan over de kracht van verbeelding. De hoofdpersonages waren kinderen die alles hadden, en wat ze niet hadden, kregen ze onmiddellijk. ‘Ken je het verhaal The diamond as Big as the Ritz van Scott Fitzgerald?’ schreef ik hem. ‘Ik las het deze zomer, en het kwam nu weer boven. Het verhaal gaat over een familie die op een berg van diamant woont, en derhalve de rijkste familie van de wereld is. Mij lijkt het leuk om met dit gegeven – een berg van een edelsteen, mag ook lazuriet of opaal of robijn zijn – te werken. Een glinsterend verhaal over geluk, of eigenlijk over een familie die denkt gelukkig te zijn, maar het helemaal niet is.’ Sieb antwoordde mij de volgende dag: ‘Door kinderen alles te geven, op de seconde dat ze het wensen, ontneem je ze ook iets heel belangrijks, namelijk de mogelijkheid tot verlangen/ wensen/ dromen; en het genoegen van die gevoelens.’

 

In een restaurant in Amsterdam bespraken we de ideeën die we via de mail hadden geopperd. Het paleis moest compleet van lazuursteen zijn, robots moesten af en aan rijden met speelgoed en de vader kende zijn kinderen niet bij naam. Een aantal weken later ontving ik van Sieb enkele schetsen, die nu in het Literatuurmuseum liggen. Bij al zijn andere tekeningen. Rintje, Aadje Piraatje, Isabella Caramella in zijn fantastische verbeelding bij het gedicht van Annie M.G. Schmidt.

Foto: Dorien van der Meer

 

De kinderen van de Lazurieten

 

Ik kijk naar de schetsen van de Lazurieten die hij in juni 2013 heeft gemaakt. Ik zie de kinderen ontstaan, hun haar dat groeit, steeds een ander kapsel krijgt. Voor Victoria heeft hij een ‘bloemtrui’ bedacht en een rokje in ‘Chromgelb Dunkelorange 8200/109’, een kleurcode van Faber-Castell. James krijgt een jasje en een shirt met knoopjes, zijn haar is Kobalt Blau 8200-143. De kinderen vluchten aan het einde van het boek voor hun ouders. Dat doen ze op een reusachtige walvis met propellers en een gigantische vlinder als staart. We laten ze ontsnappen, zoals we in het restaurant hadden bedacht. Zo eindigt het boek: ‘Niemand weet precies wat er met de kinderen van de Lazurieten is gebeurd en waar ze op dit moment zijn. Er gaan verhalen dat ze door een vissersboot zijn opgepikt en nu blauwe petten dragen en zeemansliederen zingen. Sommige mensen denken dat ze op een onbewoond eiland wonen en dat ze zandkastelen bouwen, melk drinken uit kokosnoten en vanuit bomen naar de sterren kijken.’

           

Toen het boek net verschenen was, sprak ik Sieb enkele keren over de telefoon. Hij vertelde hoe mooi zijn omgeving het boek vond, ik vertelde dat kinderen bij mijn oudste zoon in de klas de Lazurieten al woord voor woord konden nazeggen. ‘Dan kunnen we in het volgende boek veel verder gaan,’ zei Sieb. ‘Ja, dan hoeven we ons niet meer in te houden!’ antwoordde ik. Zo ontstond het idee voor een vervolg, een tweede deel dat nog vreemder en gekker zou zijn.

           

Een maand voor zijn dood, in de warme julimaand, mailden we kort met elkaar. Ik was druk met mijn roman De ijsmakers, waarmee ik op sommige dagen worstelde. In zijn laatste mail aan mij schreef Sieb: ‘Als er straks weer tijd is, is het dan een idee om na de zomervakantie eens te spreken met Querido?’

           

Het heeft niet zo mogen zijn en ik denk nog regelmatig aan de kinderen van de Lazurieten, aan Victoria en James, die wees zijn geworden nadat we ze hebben laten ontsnappen aan hun ouders. Omdat er geen vervolg meer komt, zijn ze ook weeskinderen van ons geworden, van hun geestelijke vaders.

           

Ik durf mijn kinderen nog steeds niet te vertellen dat Sieb er niet meer is. Ik wil de betovering niet verbreken. Ik ben geen vader die zegt dat het maar eens over moet zijn met dat dromen. En zo blijven de kinderen van de Lazurieten, in de verbeelding, doorvliegen op de rug van de walvis, tegen de achtergrond van een majestueuze, ondergaande zon in warme en diepe kleuren.

 

Dit is de laatste zin van het boek: ‘Als je je ogen sluit, dan kun je ze misschien zien.’