Van alles op de fiets

door Lieke Marsman

Een schrijverschap kan zich al vroeg openbaren. Vrijwel alle kinderen houden van avontuur, boomhutten bouwen, spelletjes bedenken, maar bij de schrijver in spe zou je misschien een bovengemiddeld groot verlangen kunnen ontdekken om dit alles op schrift vast te leggen (zelf liep ik eens van huis weg met een knapzakje vol duplo, schrift en pastelkrijt in de vuist geklemd, klaar om de wijde wereld op te tekenen).

Ook Rutger Kopland (pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker) begon al jong met schrijven. De allereerste archiefstukken die het Literatuurmuseum van hem heeft stammen uit zijn vroege jeugd. Maar weinigen weten bijvoorbeeld dat Rudi ooit lid was van een berucht genootschap, de Apensioux genaamd (wachtwoord: Vang den mustang), een club die samenkwam bij een zekere Grote Eik en die zorgvuldig bijhield wat men van plan was. Zoals het een club betaamt, was er een reglement.

 

Art. 1: Wie de club verraad, wordt doodverklaart.

Art. 2: Als men in de boom wil, moet men het wachtwoord zeggen.

Art. 3: Elk nieuw lid moet om aangenomen te worden, de ceremonies ondergaan (vliegmachine klap, naam in bloed)

etc…

 

Maar clubs verwateren zonder dat er leden doodverklaard hoeven te worden, en de ontwikkeling van een schrijverschap gaat vervolgens vaak gepaard met het terugverlangen naar zo’n jeugd vol kinderlijke zorgeloosheid. In een van Rutger Koplands bekendste bundels, Alles op de fiets, is dat niet anders. In het openingsgedicht schrijft hij: Niets bleef over van het oude / buiten, van tuinen, van gras / waar ooit iets gebeurd moet zijn. // Wil het ooit weer iets worden / dan zal ik het zo moeten opschrijven / dat ik niet meer hoef / te zoeken, maar kan huilen.

 

Hier komen de twee (‘zo moeten opschrijven’ en ‘niets bleef over van het oude’) mooi samen, op een manier die typerend is voor Koplands werk. Terwijl ik door zijn dichtbundels blader overvalt me het gevoel dat vrijwel al zijn gedichten over het verleden gaan: ook de gedichten die een situatie in het ‘nu’ lijken te beschrijven raken tegelijkertijd aan een melancholisch verleden. In de bundel Tot het ons loslaat schrijft hij in ‘Wat is geluk’ dat geluk een herinnering is. Toch spreekt uit de titel van de bundel ook een soort verlangen: tot het ons loslaat… geluk is een herinnering, maar kun je ooit echt gelukkig zijn als alles waarvan je gelukkig wordt in het verleden ligt? Zo is geluk zowel de herinnering zelf als het loslaten van die herinnering. En erover schrijven is zo’n vorm van loslaten. Dat klinkt contra-intuïtief, maar wie iets vastlegt maakt ook ruimte: je weet dat de herinnering voor altijd tot je beschikking zal zijn, waardoor je haar niet meer voortdurend actief bij je hoeft te dragen (…het zo opschrijven dat je er niet meer naar hoeft te zoeken).

 

Luchtiger nu: een van de leukste archiefstukken is een dagvaarding die Kopland ontving voor het uithalen van gevaarlijke fratsen op de fiets, waarschijnlijk samen met vrienden van het Groningse studentencorps waarin Kopland zeer actief was. De dagvaarding is een gedicht op zich:

De Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten te Groningen brengt ter kennis van de aan ommezijde vermelde persoon, dat hij bij deze wordt gedagvaard om te verschijnen op Maandag 2 mei eerstkomende te 12.30 uur, voor het KANTONGERECHT te Groningen, zitting houdende in het KANTONGERECHTSGEBOUW aldaar, teneinde alsdan terecht te staan ter zake dat hij te GRONINGEN gemeente GRONINGEN op of omstreeks 7 februari 1955, omstreeks 16.40 uur,

 

met zijn ene voet op de achter-bagagedrager heeft gestaan van een tweedelig rijwiel waarmede een wielrijder reed over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Guldenstraat, en met de andere voet op de achter-bagagedrager van het tweewielig rijwiel van een naast genoemde wielrijder rijdend persoon, door welke gedraging van hem, verdachte, de veiligheid op de weg in gevaar werd gebracht, althans naar redelijkerwijze was aan te nemen in gevaar kon worden gebracht.

 

Of er op de dagvaarding een straf volgde heb ik niet kunnen vinden. Je kunt het je nauwelijks voorstellen – waarschijnlijk is het bij een waarschuwing gebleven, een gelukkige jeugdherinnering.

Wat is geluk

 

Omdat het geluk een herinnering is

bestaat het geluk omdat tevens

het omgekeerde het geval is,

 

ik bedoel dit: omdat het geluk ons

herinnert aan het geluk achtervolgt het

ons en daarom ontvluchten wij het

 

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij

het geluk zoeken omdat het zich

verbergt in onze herinnering en

 

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk

moet ergens en ooit zijn omdat wij dit

ons herinneren en dit ons herinnert.