Met krontjongers mocht Eddy niet spelen

door Alfred Birney

Een vluchtige blik op deze foto van E. du Perron herinnert me aan een scène waarin het hem verboden was omgang met krontjongende boeaja’s te hebben. Maar de schrijver is hier geen jongen meer. En die lachende gitarist, is dat geen boeaja van weleer, die zich inmiddels heeft ontwikkeld tot, zeg, iets fatsoenlijkers dan dat? Geeft hij Du Perron voor de lol een lesje in krontjong? Du Perron heeft plezier op de ukelele, maar enig talent verraadt zijn houding niet. Hij hoort achter een schrijftafel.

 

Du Perron, geboren in het koloniale West-Java, schrijft in hoofdstuk 8 van zijn roman Het land van herkomst (1935) dat van de straat soms krontjongmuziek de tuin van Gedong Lami, zijn geboortehuis, bereikt. Het huis is het grootste van de omgeving en volgens de schrijver een van de weinige die de naam gedong (= herenverblijf) werkelijk verdient. Marmeren vloeren en trappen, rode lopers, gravures aan de muren, gaslampen, voor- en achtergalerij, pilaren in de achtertuin, ontelbare kamers, geweerkasten, opgezette koppen van tijgers en stieren naast fin-de-sièclefoto’s van amazones, ballerina’s en actrices, de piano, en in de diepte ruist de rivier de Tji Liwung. Niet bepaald het huis van een armlastige familie. Zijn vader is afkomstig uit een oud Frans adellijk geslacht. Zijn moeders familie komt uit Réunion en ergens in de stamboom wordt een Aziatische voorouder getraceerd. Eddy wordt opgevoed door gouvernantes en spreekt Maleis met het ‘inlandse’ personeel. De krontjongmuziek die de tuin soms bereikte, werd volgens hem…

 

…gemaakt door de oudere broers van de kinderen waar ik niet mee mocht spelen: dit waren de oudere boeaja’s (scharrelaars, deugnieten, letterlijk: krokodillen) van de halfbloed-families waartegen ik gewaarschuwd werd, de Mollerbeeks en de Leerkerks; maar hun muziek vond ook mijn moeder prachtig. Men sprak over hen met een minachtende vriendschappelijkheid: ‘Er heeft vanavond een hondenbruiloft plaats bij de Sersansi’s.’ Zij zelf spraken er met humor over: ‘Waar zijn de jongeluis weer? Zeker weer aan het boyeren!’

 

De abjecte term ‘hondenbruiloft’, bekend in de koloniale literatuur, slaat op een bruiloft tussen indo’s, ‘halfbloeden’ uit de kampong, paria’s dus in het sociaal gesegregeerde Nederlands-Indië. De term ‘boyeren’ zal wel schertsend ‘de boeaja uithangen’ betekenen.

 

Erotiek en krontjong zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. De boeaja als Indo-pendant van de casanova wordt bezongen in het bekende krontjonglied Terang Boelan. Du Perron citeert de tekst, die waarschuwend is en braaf vergeleken met de vaak schunnige pantoens die de krontjongers gewoonlijk ten beste gaven:

Terang boelan, terang boelan dikali

(Maneschijn, maneschijn op de rivier)

Boeaja timboel, disangka mati.

(Een krokodil drijft boven, schijnbaar dood.)

Djangan pertjaja moeloet lelaki

(Geloof nooit de mond van een man)

Berani soempah, tapi takoek mati.

(Hij durft zweren, maar is bang om te sterven.)

 

Verbasterde krontjongmuziek

 

Krontjong is al vóór Du Perrons geboorte niet alleen maar zingen en muziek maken bij volle maan. Het is een manier van leven. Daarbij horen de minder frisse eigenschappen die de boeaja’s tentoonspreiden: vechtpartijen, plunderingen, schietincidenten en verkrachtingen. Deze onfrisse praktijken halen de pers, en Indo’s krijgen een slechte naam. Deze ‘halfbloed-families’ krijgen overigens gezelschap van Chinezen en Indonesiërs in hun krontjongcultuur.

 

Voor één avond van verbasterde krontjongmuziek geeft mijn hart van indische jongen althans een reeks cadeau van uitgelezen chinese voorstellingen, schrijft Du Perron dwepend.

 

De foto is jaren later genomen, na een verblijf van liefst vijftien jaar in Europa, waar na de Eerste Wereldoorlog het gezin op kasteel Gistoux in België was neergestreken. Du Perron bracht veel tijd in Parijs door, waar hij dankzij het kapitaal van zijn vader onbekommerd kon leven en kennismaakte met vooraanstaande kunstenaars. In Hollandse kringen, waar hij zich amper vertoonde, fluisterde men over ‘een Oosterse nabob met letterkundige neigingen’.

 

Te veel verandering

 

Na een mislukt huwelijk met een dienstmeisje, de zelfmoord van zijn vader, de dood van zijn moeder en de gevolgen van de beurskrach is er zo goed als niets meer over van het familiekapitaal. In 1932 hertrouwt hij en gaat met zijn vrouw in Parijs wonen, waar hij voor het eerst van zijn leven moet werken voor zijn geld. Na publicatie van Het land van herkomst vertrekt Du Perron met zijn vrouw Elisabeth de Roos en zoontje naar Nederlands-Indië. Hij schrijft kritieken voor het Bataviaasch Dagblad. Maar er is te veel veranderd in zijn land van herkomst. Hij voelt zich er niet meer thuis.

 

De krontjongtroepen van vroeger zijn vervangen door echte bands (jazz-bands!) – het is er geen haar beter op geworden, behalve voor de indo-snobs, klaagt hij in een van zijn brieven.

 

Enig speurwerk naar de lachende man met de gitaar brengt me bij een broer van een bekende nationalist. Was deze misschien wel nooit een boeaja en keek hij slechts vooruit tijdens een speels tête-à-tête over politieke zaken, waar Du Perron zo de schurft aan had?

Een zweem van afwezigheid

 

Hoopen jonge Indonesiërs schijnen ‘een vriend’ in mij te hebben herkend, en dat terwijl ik mij toch werkelijk niet met politiek inlaat en hen uitsluitend bijsta met ‘cultureele’ problemen, schrijft hij elders.

 

Als je goed kijkt, verraadt de blik in Du Perrons gezicht een zweem van afwezigheid. Hij kijkt achterom. Teleurgesteld zou hij terugkeren naar Europa, Holland, om er zich letterlijk dood te schrikken toen op de radio de Nederlandse capitulatie voor het Duitse leger bekend was gemaakt. Was hij in Nederlands-Indië gebleven, dan was hetzelfde gebeurd, maar dan oog in oog met het Japanse leger. Soldaten zijn geen boeaja’s, ze dragen geweren, geen gitaren.