Landbouwkundige en dichter

door Dick Welsink

Adriaan van Dis spreekt, het Starings Blazersensemble concerteert en ook de ridders van Gelre treden aan in de Almense kerk. Precies 250 jaar na zijn geboorte lijkt A.C.W. Staring nog altijd te leven. 

Wat een prachtige, haast gekalligrafeerde handtekening heeft A.C.W. Staring. Het zal grote kundigheid van Ph. Velijn, de graveur van zijn portret voor de Nederlandsche Muzen-Almanak, gevergd hebben die er mooi en goed gelijkend onder te zetten. Des te pijnlijker is het dat hij een fout maakte in het onderschrift: ‘Wildenbosch’ in plaats van ‘Wildenborch’. Dat was de naam van het tussen Vorden en Lochem gelegen landgoed dat zijn vader in 1780 voor de lieve som van ƒ 95.500 had gekocht. In de bedankbrief die Staring op 9 december 1824 aan Johannes Immerzeel Jr., redacteur én uitgever van de almanak, stuurde, schreef hij:

 

[…] van de Staringen van den Wildenbosch kan ik voor mijne Kinderen, waarvoor mijne Afbeelding anders een welkom geschenk zoude zijn geweest, geen gebruik maken. Bij de moeite van het Portrait te graveeren had dié behoren gevoegd te worden, van er mijn naam behoorlijk onder te zetten, of hetzelve had uit den Almanak weg moeten blijven.

 

De woeste gronden rond de Wildenborch zijn in de loop der jaren onder leiding van Staring in cultuur gebracht. De arme zandgronden en moerassen brachten de boeren die land bij hem pachtten weinig op. Daarom bevorderde hij experimenten met de teelt van exotische gewassen zoals Egyptische gerst en aardpeer. Maar hij maakte vooral werk van de aanplant van productiebos en het aan de randen van akkers laten groeien van eikenkreupelhout, zogeheten akkermalen.

 

Staring had met weinig animo een studie rechten in Harderwijk gevolgd die hij op 23 mei 1787 (hij was toen twintig!) met een promotie op stellingen bekroonde. In september van dat jaar liet hij zich als voorbereiding voor het beheer van de Wildenborch inschrijven als student aan de Hannoveraanse universiteit te Göttingen aan de Leine om zich te bekwamen in de natuur- en scheikunde, en de botanie. Hij volgde daar colleges experimentele natuurkunde en wiskunde bij de in Hessen geboren Georg Christoph Lichtenberg, die de grap maakte dat ‘paard’ in het Nederlands vertaald ‘ezel’ is. Staring kon dit niet waarderen en gaf bijna een halve eeuw later lucht aan zijn ergernis in een puntdicht, opgenomen in de bundel Winterloof (1832):

 

Hans-Worst van Hessen riep (als in de Leinestad

Het markttoneel nog stond, waar hij patent voor had):

‘Een Paard, getranslateerd in ’t Hollandsch!’, riep Hans-Worst;

En ’t was een ezel. Die ’t zich aantrok wees den borst

Op een kalkoen, en sprak: ‘zoo mijn gezigt niet dwaalt,

Pronkt hier een Paauw, in uw Hoog-Duitsch vertaald.’

 

Starings vroegste gedichten dateren uit de periode dat hij op de Latijnse school in Gouda zat. Hij woonde toen bij zijn oom die predikant was in Gouderak. Op zestienjarige leeftijd werd hij door het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen Vlijt benoemd tot buitengewoon lid wegens vertoonde proeven van ‘keurig en bijna gadeloos Dichtvermoogen’. In 1786 publiceerde hij Mijne eerste proeven in poëzy. Toen hij in 1820 een tweedelige verzameluitgave van zijn gedichten samenstelde, uitgegeven door Thieme in Zutphen, velde hij een hard oordeel over dit jeugdwerk: ‘onrijp of geheel verwerpelijk’. Hij maakte een strenge schifting en hield zich daarbij aan zijn eigen voorschrift, door hem geformuleerd in het puntdicht ‘Polijsten’:

 

Gij zonen van Apol, die min doldriftig ijlt,

En ’t warmgesmede Vers bedachtzaam koelt en vijlt,

Gedenk: schoon ’t Beerenjong bij Moeders lekken winn’,

Als ’t lieve Leven faalt, dat lekt geen tong er in.

 

Staring nam dit versje op in de bundel Nieuwe gedichten (1827), die uitgegeven werd door Immerzeel. Kennelijk had hij geen ‘hard feelings’ jegens de in gebreke gebleven almanakredacteur. Die was ook de uitgever van zijn laatste bundel, Winterloof. Al bij al is het geen heel omvangrijk oeuvre, maar wel van een constant hoog niveau. Dat was vooral te danken aan de hoge eisen die de dichter aan zichzelf stelde. Of het nu lyrisch, episch of humoristisch van aard was, het moest altijd puntig geformuleerd zijn.

 

Na de dood van Staring in 1840 werden zijn verzamelde gedichten in 1861 herdrukt, voorzien van een bewonderende inleiding van Nicolaas Beets. Van deze editie verschenen diverse herdrukken, de laatste, een fotomechanische reprint, in 1981. Het zou mooi zijn als in dit jaar waarin we herdenken dat hij, in Gendringen op 24 januari 1767, precies 250 jaar geleden dus, het levenslicht zag, ten minste een bloemlezing uit zijn werk zou verschijnen.