Het IJspaleis

door Philip Huff

Hij schreef veertien romans, zes verhalen-, elf essay- en drie dichtbundels, twee toneelstukken en vele (later gepubliceerde) dagboeken; verkocht daarvan miljoenen exemplaren, zijn boekverfilmingen waren successen (Turks Fruit kreeg in 1999 een speciaal Gouden Kalf voor ‘Beste Nederlandse film van de eeuw’ ); stond in 2002 op de vijfendertigste plek in de Nederlandse literaire canon van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (en als je alleen de dan levende auteurs telt op de vijfde plek), en hem werd zowel de Constantijn Huygens-prijs als de P.C. Hooft-prijs toegekend.

 

Niet slecht voor iemand die zichzelf in de eerste plaats als beeldhouwer zag.

Pretenties van de literaire wereld

 

Toch was Jan Wolkers ontegenzeggelijk een schrijver. En een die weinig ophad met de pretenties van de literaire wereld. In dit filmpje uit 1982 is te zien hoe hij de Constantijn Huygens-prijs, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van het Nederlands taalgebied, weigert – net als hij in 1989 met de P.C. Hooft-prijs zou doen.

 

Wolkers was ten tijde van de opnames bijna zevenenvijftig jaar oud, maar had nog steeds iets jongensachtigs. Zijn taalgebruik was net als in zijn boeken direct, helder, en vol furie en levenslust: ‘Ik voel me gewoon geschoffeerd in mijn prettige, dagelijkse leven, waarin ik werk.’ Wolkers woonde sinds twee jaar op Texel met zijn vrouw Karina en hun anderhalf jaar oude tweeling Bob en Tom. Maar hij was niet bitter, hij genoot. Wolkers zat in zijn woonkamer, met uitzicht over de weilanden. ‘We wonen hier in een soort Jan van Goyen,’ zei hij met die kenmerkende, licht nasale stem. ‘Het is ongelofelijk.’

 

Op een ander moment die dag zei hij tegen de pers: ‘Ik kan deze prijs niet accepteren. Als je bedenkt dat ik twintig jaar lang bijna elk jaar een meesterwerk heb geschreven, dan denk je bij jezelf: ben ik tot dit niveau afgezakt? Dat ze mij prijsjes gaan geven? Ze hebben mij een gelukstelegram gestuurd. Het had beter een rouwtelegram kunnen zijn.’

 

Wolkers’ reactie is niet gespeend van ironie, maar ook niet ver bezijden de waarheid: Wolkers publiceerde zijn eerste boek, de verhalenbundel Serpentina’s petticoat, in 1961. Het jaar erop volgde zijn eerste roman, Kort Amerikaans. Hij was toen zesendertig jaar oud. Tussen dat boek en zijn laatste roman, De onverbiddelijke tijd, zaten drieëntwintig jaar, en veel bekende, schitterende titels als Een roos van vlees, Terug naar Oegstgeest, Turks fruit, De perzik van onsterfelijkheid en Brandende liefde – een indrukwekkende stortvloed aan verhalen. Twee terugkerende elementen schragen de levens van Wolkers’ vertellers en personages: enerzijds hun lijfelijkheid – Jan en Anna’s onderlinge aantrekking in Brandende liefde, de sekszucht van Griffioen en Lien in De walgvogel – en anderzijds het leven in grote zingevende verhalen – de overheersing van de Bijbellezingen in Terug naar Oegstgeest, de beklemmende burgerlijke zedelijkheid van de milieus waarin Olga opgroeit en de ‘vrije’ artistieke moraliteit in Turks fruit. De kunst wedijvert bij Wolkers altijd met de afkomst.

 

Beeldend kunstenaar

 

Wolkers, derde van elf kinderen, groeide zelf op in Oegstgeest, een randgemeente van Leiden, met streng gereformeerde ouders die een kleine kruidenierszaak hadden. In de oorlogsjaren werkte hij als dierenverzorger en tuinman en bezocht hij de Leidse Schilderacademie Ars Aemula Naturae (‘de kunst wedijvert met de natuur’). Wolkers ontvluchtte na de oorlog het gereformeerde milieu van zijn jeugd, vierde zijn vitaliteit en het leven. In de jaren vijftig studeerde hij als beeldend kunstenaar aan de Rijksacademie in Amsterdam. Hij leerde door in Salzburg en Parijs, maakte beelden (onder meer voor het Watersnoodmonument) en ontwierp posters (bijvoorbeeld voor de Communistische Partij van Nederland).

 

Wolkers schilderde zijn leven lang. Schilderen bestond voor hem uit ‘wat hij in eenzaamheid verzamelde’, in tegenstelling, wellicht, tot wat hij als romanschrijver in zijn levensdrift bijeenbracht. In de jaren zestig en zeventig woonde Wolkers in Amsterdam, alwaar hij, met de kennis van nu, zijn belangrijkste boeken schreef. Getuige de dagboeken was het een dolle tijd. In Westermient op Texel voltooide hij nog drie romans: De junival, Gifsla en De onverbiddelijke tijd. Dat boek uit 1984 is zijn laatste roman gebleven. Met De junival nam Wolkers definitief afscheid van zijn ouders, Gifsla was een parodie op de detectiveroman, De onverbiddelijke tijd een briefroman.

 

Het IJspaleis

 

In 1985 was Wolkers van plan om een roman te schrijven met de titel Het IJspaleis (achter in De onverbiddelijke tijd staat een lijst met nog meer te verschijnen romans die geen van alle het levenslicht zouden zien). Het eerste hoofdstuk verscheen in december van dat jaar in Playboy (een goed betalende opdrachtgever). Een kopie ervan ligt in het archief van het museum. Het is volgens biograaf Onno Blom het enige wat nog van de roman rest. Er zijn in het archief op Texel geen aantekeningen of aanzetten meer te vinden. Blom: ‘Het spoor liep én loopt dood.’

 

Een kritische kanttekening over de kwaliteit van Het IJspaleis kan Wolkers, in mijn ogen een van de meest vaardige en overtuigende schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog, wel verduren. De openingszin is al wat log, voor zijn doen:

 

Het was alsof hij in een onderaards gewelf tussen lange grillige ijspegels door geschoven werd toen hij bijkwam uit de narcose. IJspegels als speren van glinsterend vlijmscherp glas die naar bloed roken alsof ze je lichaam hadden opengereten.

 

Het beeld is niet heel treffend: hoe ruikt bloed? ‘Vlijmscherp’ is sleets, en de ijspegels zijn eerst grillig en daarna glad als speren. Het hoofdstuk, over het verblijf van een hij-figuur (Adri genaamd) op een ziekenhuisafdeling, doorsneden met flashbacks (waaronder naar het oppikken van een liftster, al eerder – en beter – gedaan in Turks fruit), ontkomt niet helemaal aan de indruk dat we hier de opening van een roman lezen van iemand die als Jan Wolkers schrijft, in plaats van het begin van een boek van Jan Wolkers zelf.

 

Getuige het stilleggen van zijn fictieproductie dacht de kunstenaar er ook zo over. Wolkers’ leven op Texel komt op mij als warm, rustig en family minded over. Op het eiland ging Wolkers essays en gedichten schrijven, schilderen en beeldhouwen. Het zou tot 2005 duren eer er weer een novelle van Wolkers verscheen: Zomerhitte, het Boekenweekgeschenk.

 

De jaren tachtig waren niet het decennium voor Wolkers romans. Wat dat betreft had de jury van de Constantijn Huygens-prijs hem inderdaad een rouwtelegram kunnen sturen – niet om hem in te kapselen, maar om het einde van deze prozastroom te gedenken. Wolkers was vrij om iets anders te gaan doen: hij schreef nu essays en won daarmee prijzen die hij wél aanvaardde, waarmee zijn grieven uit 1982 oprechter lijken dan op eerste gezicht wellicht gedacht.

 

Zijn schrijfvaardigheid was groter geworden, maar het idee met romans iets nieuws te zeggen verdwenen. Volgens Blom had Wolkers na de dood van zijn ouders wellicht het gevoel dat hij in romanvorm gezegd had wat hij moest zeggen. En wie Het IJspaleis leest, ziet dit een beetje. Wolkers schilder- en beeldhouwwerk bloeide op, met als uitschieter de monochrome schilderijen die hij vanaf 1987 ging maken. Hier herhaalde Wolkers zichzelf heel nadrukkelijk, volgens Blom zelfs bewust en schaamteloos. Misschien omdat je van een schilderij er altijd maar één maakt, en dit werk niet te reproduceren is. Maar wie de boeken leest, ziet een consistente, indrukwekkende reeks meesterwerken, zowel wat betreft kwaliteit als wereldbeeld. Het is, om de maker hiervan te parafraseren, ongelofelijk.