Het Boekenbal: sneu en lachwekkend

door Christiaan Weijts

Dat je over het Boekenbal altijd de wildste verhalen hoort is niet verwonderlijk. Sluit een paar honderd figuren bij elkaar op die het vertellen van sterke verhalen als beroep hebben, spoel er wat alcohol doorheen en wacht af wat er allemaal naar buiten komt.

 

Mij lijkt het aardig om eens een keertje het omgekeerde te doen. De mythen, geruchten en grootspraak juist verkleinen en terugbrengen tot de kern. Waarschijnlijk omdat ik in het Literatuurmuseum de Boekenbal-tekeningen van Peter van Straaten heb gezien, en hij doet precies dat: alle poeha in een paar lijnen terugbrengen tot een tafereeltje, met mensen die een beetje sneu zijn, en een beetje lachwekkend.

 

Komisch en aandoenlijk: alle 8 fasen van het Boekenbal, van het bemachtigen van de kaartjes tot de kater erna. 

1. De kaartjes
 

Zo tegen eind februari, gelijktijdig met de allereerste hint van lente, vinden de meeste Nederlandse schrijvers een mailtje van hun uitgeverij in hun inbox dat meestal een wat verzuchtende toon heeft: ‘Het jaarlijkse spel om de Boekenbalkaartjes gaat weer beginnen.’

 

Wie denkt dat het publiceren van een boek automatisch toegang geeft tot het Boekenbal is hopeloos naïef. Het is veel ingewikkelder dan dat. De procedure is ondoorgrondelijker dan de benoeming van onderministers in Wit-Rusland, maar na precies tien jaar ervaring heb ik er in elk geval een glímp van inzicht in. Het spel gaat als volgt. De uitgevers mogen bij organisator CPNB (de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) elk jaar een verlanglijstje inleveren van auteurs die zij uitgenodigd willen zien. Daar maakt vervolgens het CPNB zelf een selectie uit. En o, wat zou ik graag eens een microfoontje ophangen in dat directiekamertje waar ze – de voetjes op de bureaus – de gastenlijst samenstellen. ‘Hij? Maar eens een jaartje niet. Laat hem eerst maar eens een goed boek schrijven. En zij? Die was vorig jaar toch zo ontiegelijk dronken geworden? Mooi, die mag weer komen.’

 

Uiteindelijk rollen uit dat kamertje de namen van de gelukkigen, maar dan zijn we er nog niet. Het eigenlijke spel begint dan pas. Want de uitgenodigden krijgen een kaart waarop ze aankruisen of ze wel of niet komen, en of ze met of zonder partner komen. Uitgevers manen hun auteurs om ook als ze níet willen komen, toch twee kaarten aan te vragen, zodat die intern weer verdeeld kunnen worden onder degenen die niet door de eerste vleeskeuring van het CPNB kwamen. Naast deze semi-zwarte-markt is er nog een driftige ruilhandel onder de auteurs en andere genodigden zelf, die een beetje doet denken aan de taferelen voor de supermarkten in de perioden dat die voetbalplaatjes uitdelen.

2. De entree

 

De argeloze Boekenbalganger die, dolblij met het verschijnen van een dichtbundeltje of romandebuutje, denkt dat hij Er Nu Bij Hoort verschijnt steevast te vroeg, te zenuwachtig, te goed gekleed en vooral: te veel geconformeerd aan het kledingvoorschrift. Een ‘zilveren accent’ moest ik dragen bij mijn eerste Bal, en ik had veel kostbare tijd verloren met het vinden van het zilveren gilet waarmee ik me de hele avond herkenbaar maakte als debutant.

 

Dit jaar is het Bal niet in de Schouwburg, door allerlei planningsproblemen, maar in Paradiso. Toch zal ook hier de rode loper uitgerold zijn, dat voor schrijvers, die het liefst alleen in hun kamertje zitten, zo onwezenlijke stuk tapijt. Camera’s aan weerszijden. Allemaal net echt, en je eerste reactie is dan ook in de lach te schieten. Je kunt het Boekenbal alleen betreden met een ironische houding, die zoiets zegt als: ik ben hier wel, maar ik doe eigenlijk niet mee aan al deze flauwekul.

 

In feite vermom je je dus perfect als een Peter van Straaten-personage en betreed je een ironisch universum, waar iederéén een ironisch lachje opzet. De ijdelste onder die ironici weten dat ze niet om acht uur moeten binnenkomen, maar rond kwart over acht uit hun tram of taxi moeten stappen. Dan zijn ze bij de ingang op het moment dat het achtuurjournaal live gaat en de witte limousine komt voorrijden met de Boekenweekauteur.

 

Binnen geef je je jas af en staat Nieuwsuur-verslaggever Tonko Dop in de vestibule, met een ongelooflijk flauwe vraag waar je een gewiekst antwoord op moet hebben. Sommigen proberen het wedstrijdje in ad-rem-zijn te saboteren door al terug naar de jassen te lopen en de vraag aan anderen in te fluisteren, die daardoor extra bedenktijd hebben, maar Tonko Dop en z’n team hebben dat feilloos door en wisselen dan slinks naar een ander vraagje. 

3. Binnen

 

Binnen wacht de ontluistering. Tussen alle decorstukken en het gekgekostumeerde personeel is het eerste wat je te doen staat: muntjes kopen. Plastic fiches met het NS-logo erop. Het is net als vroeger in de discotheek, en ook de rest van de avond zal akelig veel lijken op de discoavondjes van vroeger. Alleen is het publiek zo’n vijftig jaar ouder.

 

4. Voorprogramma

 

Of eigenlijk: het afzeiken van het voorprogramma, want dat is de ware traditie. Ze zijn nog niet gaan zitten, links en rechts zwaaiend naar bekenden, of ze beginnen al te klagen. Wat duurt het lang. Wat hebben we rare plaatsen. Waarom zit uitgeverij X op rij Y en waarom zijn er zoveel BN’ers die nog nooit een boek gelezen laat staan geschréven hebben? En als het programma dan eindelijk begonnen is, groeit de onrust. Je wilt allemaal naar buiten, je wilt borrelen, je vrienden spreken, dansen, feesten, maar je zit maar dorst te krijgen in de warmte, terwijl je achter de zaaldeuren het gegons al hoort van degenen die zo verstandig waren het voorprogramma over te slaan.

 

Misschien is er daarom dit jaar helemáál geen voorprogramma; op de uitnodiging kan ik deze optie niet meer aankruisen.

 

5. De wandelgangen

 

Drommen mensen die om elkaar heen draven, langs elkaar heen, verbaasde kreetjes van herkenning uitslaand naar bekenden. Over hun schouders loerend naar beroemdheden en vijanden. Hengelend naar de aandacht van de camera.

 

Ik stond er eens naast een collega die zijn nieuwe Russische vriendinnetje had meegetroond. Voor haar was niemand beroemd en kon het evengoed een gala van accountants zijn. En laten we eerlijk zijn: zoveel schrijvers zijn er niet. Je moet echt naar ze op zoek, in deze gangen vol mediafiguren, publiciteitsmedewerkers, redacteuren, uitgevers, inkopers en verkopers, recensenten en agenten, vertalers en stagiaires… Ik stond eens naast Gerrit Komrij die een rustig hoekje had gevonden om een biertje te drinken en de menigte gade te slaan. Hij zei – en maakte met die opmerking een live Van Straaten: ‘Wat zijn er toch een hoop mensen die hun geld verdienen in de literatuur, hè?’

 

6. De balzaal

 

Schrijvers en dichters zijn geen dansers. Het zijn de beschouwers en toekijkers, degenen die vroeger al aan de rand stonden, en zo is het nu ook. Je mag hopen dat je daar een enkeling treft die je enigszins kent en mag. Dan kun je boven het gebeuk van de geluidsinstallatie uit misschien wat woorden wisselen. En dat is het dan.

 

Versieren, vreemdgaan en vechten: ik heb er elk jaar van gehoord maar er nooit een spoor van gezien. Een Parool-recensent schijnt altijd wel een glas bier over zich heen te krijgen. Ik betwijfel of het waar is. Het is net als vroeger in discotheken, zoals gezegd: er wordt meer over dat alles vertéld dan dat het nu echt gebeurt – zeker als een aanzienlijk deel van de aanwezigen zijn geld verdient met het vertellen van verhalen.

 

De meeste schrijvers komen gewoon met hun eigen vrouw, man, vriendin of vriend en verlaten het feest weer met diezelfde persoon. Het is een personeelsfeestje. Het grappige is dat deze niet-gebeurtenis door ‘de media’ wordt verslagen alsof het wel een gebeurtenis is. Kranten komen ineens met liveblogs, reporters, vlogs en updates. Her en der brengt het witte stralende zoeklicht van een camera wat beroering. Het fenomeen is typisch voor deze tijd: non-nieuws wordt nieuws doordat erover bericht wordt. 

7. Het decor slopen

 

Ik neem me altijd voor bijtijds weer te vertrekken, naar een nabijgelegen café te gaan waar je wél met een klein groepje een gesprek kunt voeren, maar het komt er nooit van. Want het is altijd veel eerder al weer veel later dan je dacht. Dat komt doordat het Boekenbal één grote tarantella is, waarbij je steeds weer andere halve en hele bekenden tegenover je hebt, met wie je een nieuw smalltalkje begint. ‘Héé, hoe is het met jou dan, lang niet gezien man!’

 

Steeds is daar het gevoel dat het eigenlijke feest nog moet beginnen, dat je nog in de wandelgangen bent, de opmaat, de eerste aanzet, totdat er zoveel opmaten zijn geweest dat je niet doorhad dat die samen eigenlijk al de balmuziek waren, die rare tarantella, waardoor het ineens al drie uur, half vier is, en de mensen om je heen het decor beginnen te slopen.

 

‘Eh, ik geloof niet dat dit de bedoeling is…’ probeert een medewerker van de Schouwburg nog, als iemand een levensgrote papegaai van bordkarton losbreekt.

 

‘Jawel hoor, dat is traditie!’

 

‘Oh…’

 

Slopen, het afbreken van de façade. Daar eindigt elk Boekenbal mee, en daar zijn schrijvers eigenlijk verdomd bedreven in.

 

8. De kater

 

De laatste keer dat ik er was, hadden we een hotelkamer in het Americain geboekt. Niet het gezeur van taxi’s of nachttreinen: meteen je bed in rollen. En vooral: de ochtend erop in alle rust kunnen ontbijten.

 

Dat viel wat tegen. Ja, aan alle tafeltjes zaten Boekenbalgasten, verkreukeld, zwijgend, terneergeslagen, de perfecte ambiance kortom om bij te komen van het rumoer dat nóg nagonst in je oren. Aan slechts één tafeltje was het een drukte van belang, en juist daar werden wij neergezet: naast onze stadsgenoot Bart Chabot.

 

‘Héé hoe is het met jou dan, lang niet gezien man!’