Dé-Lilah, uitgeverij Veen heeft nog geld van u tegoed!

door Alfred Birney

De oermoeder van de Indische tak van de Nederlandstalige koloniale letteren Dé-Lilah publiceerde tussen 1897 en 1901 een paar duizend bladzijden en verdween toen in de mist. Twintig jaar geleden werd ze herontdekt en gepresenteerd door de publicist en Indië-bibliofiel Joop van den Berg (1930 – 2014) in zijn verhandeling Dé-Lilah. Een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina's Indisch proza.’*. Haar boeken circuleren voor veel geld in de kampong van het antiquarisch circuit. Het is over het algemeen pulpfictie met hier en daar iets geestigs, zoals in de bundel Een Indisch dozijntje (1898), waarin een gewaagde coming out ligt, want het was indertijd bepaald geen recommandatie jezelf als ‘Indisch’ voor te stellen:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

 

Wanneer een Soendanese visverkoper op de markt per ongeluk een vlek op haar satijnen kabaja maakt, port Dé-Lilah kwaadaardig de punt van haar parasol in zijn ribbenkast. Hij struikelt, trapt in een pan kokende kleefrijst en belandt uiteindelijk strompelend van de pijn in een berg pinda’s. Dé-Lilah, die zich gelijkgesteld voelt aan blanke koloniale Europeanen, toont geen compassie:

Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan...

 

In een zeldzame, welwillende recensie van Dé-lilahs debuutroman ‘Gecompromitteerd’ in De Tijdspiegel houdt de recensent in zijn onnozelheid de schrijfster voor een man. Als subtiel antwoord aan de recensent staat op de titelpagina van Dé-Lilahs tweedelige roman Hans Tongka’s carrière (1898) vermeld: ‘Tabaksroman door Dé-Lilah, schrijfster van “Gecompromitteerd”’. Helaas krijgt deze protestroman, die het feitelijk is en wereldschokkend had kunnen worden, geen enkele aandacht in de pers. Mogelijk wilde men in Nederland liever niet weten dat planters op Deli naar eigen goeddunken koelies aan de galg hesen, geheel in de traditie van Jan Pieterszoon Coen een slordige drie eeuwen eerder. De lossere seksuele moraal in Nederlands-Indië in het nog preutse Nederland viel wellicht ook verkeerd. Of werd een Indo-Europese schrijfster, met waarschijnlijk een blanke Nederlandse vader en een Javaanse moeder, gewoonweg niet serieus genomen door het overwegend blanke lezende deel van de bevolking, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië?

 

Dé-Lilah schreef met deze eerste ‘plantersroman’ uit onze koloniale literatuur een Indische soap supérieur. Het is pulpfictie, maar van hoge kwaliteit, waarin álles maar dan ook álles te vinden is over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met vele Europese en Aziatische bevolkingsgroepen, inclusief de ongelijke strijd die Aziatische vrouwen moesten leveren om een blanke man te kunnen huwen, plus de wandaden van Europese planters. Alleen dit ene boek al kan een enorme leemte vullen in de beroerde kennis van onze roemruchte geschiedenis overzee.

 

Na een korte schrijfcarrière van vijf jaar lijkt het alsof Dé-Lilah de pen heeft neergelegd. Wie was zij? Joop van den Berg claimt een literair detectiveschap dat naar de naam Lucie van Renesse (geb. +/- 1850) verwijst, de echtgenote van de Deli-planter E. van Renesse. Haar identiteit stelt hij vast uit haar prozafragmenten van reisverhalen die een link vertonen met de werkelijkheid en verder uit aannames gebaseerd op romanfiguren. Serieus werd hij niet genomen in kringen van literatuurwetenschappers, maar hij bracht Dé-Lilah wél tot leven. Volgens hem waren op zijn minst nog twee boeken van haar publicabel. Zijn speurtocht naar haarzelf loopt dood. Waarschijnlijk kreeg hij het volgende briefje niet onder ogen, dat zich in het Literatuurmuseum bevindt:

 

Mej. L. van Renesse, Dresden.

 

Geachte Mej.!

 

Wilt u mij s.v.p. fl 3,50 reunitteeren van het afgelopen halfjaar 1/1 – 30/6 ’12 en tevens fl 3,50 voor het halfjaar 1/7 -31-12 1912.

U hebt dan tot laatstgenoemden datum betaald.

 

Hoogachtend

Waarde

L.J. Veen

Amsterdam, 12/4 1912

 

Kennelijk had uitgeverij L.J. Veen met Mejuffrouw L. van Renesse nog een rekening te vereffenen. Het lijkt op een afbetalingsregeling. Maar om wat voor futiel bedrag gaat dit? Dé-lilahs debuutroman kostte fl. 3,25. Couperus’ De stille kracht kostte in 1900 fl. 1,50. Hier vraagt een uitgever over het gehele jaar 1912 zeven gulden terug van een schrijfster aan wie hij denkelijk een voorschot had verstrekt.

 

De aanmaning is gericht aan Mejuffrouw L. van Renesse, die op dat moment in Dresden woont. Droeg zij de naam van haar man, dan moet de aanhef Mevrouw zijn geweest. Volgens haar ontdekker was ze immers gehuwd met een rijke planter. Ze zou zich met haar gezin, eenmaal rijk, als te doen gebruikelijk hebben gesetteld ergens in Nederland. Waarom dan dat gedoe om een paar centen?

 

Leefde ze misschien gescheiden van haar wettige echtgenoot in bij een andere man in Dresden, wie weet ironischerwijs met de Duitse planter die zij als model nam voor de domme geluksvogel Hans Tongka? Of leidde de reislustige schrijfster intussen een bohémien leven in Dresden en is ze er gestorven? Ligt haar graf misschien in deze eens zo vermaarde cultuurstad of is dat later in WO-II onder de Engelse bombardementen met de grond gelijkgemaakt?

 

Dé-lilah was nooit bekend. Je krijgt haar moeilijk onder het stof vandaan. Het auteursrecht op haar roman Hans Tongka’s carrière is verjaard. Uitgeverij Veen kan alsnog haar centen terugverdienen met een late heruitgave van Hans Tongka’s carrière, met een knipoog naar de oprichter L.J. Veen. Hier ligt een schone taak. Opdat onze literaire canon verrijkt wordt met de kleurrijkste schrijfster uit Tempo Doeloe. Amen.

*Uitgelezen boeken 6 (1996), aflevering 2 (juni), p. 1 – 46.