De fiets van Bob den Uyl

door Jerry Hormone

Bob den Uyl moet wel de meest onwaarschijnlijke schrijver van reisverhalen zijn.

 

Ik heb een zwak voor hem. Al schijnt hij niet de meest aimabele man geweest te zijn. Hij zoop nogal veel en kon dan niet van de vrouwtjes – over wie hij er eufemistisch gezegd nogal ouderwetse ideeën op na hield – afblijven.

 

Hij was ook een verschrikkelijke zenuwlijer, maar liet zich zo min mogelijk door zijn angsten belemmeren. Daar kan ik mezelf wel in herkennen. En herkenning roept nu eenmaal sympathie op.

 

Een zeker onbehagen


Bob hing aan elkaar van de fobieën. Was zó bang voor kleine, afgesloten ruimtes dat-ie altijd de trap en nooit de lift nam. At een tijd niets omdat hij niet meer durfde te slikken. Maar opvallender voor een schrijver van reisverhalen: hij leed aan vliegangst. En een rijbewijs had hij ook al niet.

 

Zodoende was Bob voor zijn reizen aangewezen op de trein en zijn witte racefiets van het merk heko.

 

Op pagina 187 en 188 van Nico Keunings vuistdikke biografie Een zeker onbehagen staat de zeer gespecificeerde bon van het rijwiel afgedrukt.

 
Bob kocht de fiets in 1972 bij Adriaan van Herpen Rijwielen en Bromfietsen op de Noordmolenstraat 58 in Rotterdam voor 654 gulden en 45 cent. Met een bagagedrager (ƒ8,95), spatborden (ƒ13,50) en verlichting (ƒ13,00) liet hij de racefiets optuigen als toerfiets.

 

De witte toerfiets

 

Het eerste wat mij opvalt als ik de fiets in het Literatuurmuseum zie, is dat de spatborden en de verlichting ontbreken. De bagagedrager zit er nog wel op.

 

Ik mag met de fiets aan de hand een rondje door het museum lopen. Ik zou er best buiten een stukje op willen fietsen, maar dat is met een museumstuk niet gepast. Het zal sowieso niet gaan: de banden zijn plat en het zadel is me veel te hoog. Bob den Uyl was een lange man.

 

 

Door de bochten schuiven


Op YouTube staat een aardig filmpje uit 1975 van Bob en zijn fiets. Het is zijn eerste keer op tv.

 

Alvorens door G. Brands te worden geïnterviewd voor de vpro, rijdt Bob in Sportpaleis Ahoy enkele rondes over de schuin oplopende houten baan van de Rotterdamse Zesdaagse. Uiterst traag en voorzichtig. Als een houten klaas.

 

In Een zwervend bestaan (1977) schrijft hij waarom:

Omdat het rijden op een dergelijke baan een kunst op zichzelf is die grote vaardigheid vereist, vond ik het maar beter tijdens de voorbereidingen tot de opnamen een aantal proefrondjes te rijden, want vanzelfsprekend wilde ik op het scherm een goed figuur slaan en met hoge snelheid en horizontaal liggend door de bochten schuiven. Een sportief imago is nooit weg.

 

Met de durf van de beginneling lukte mij dat een paar keer heel aardig, maar juist toen ik in gedachten al vertrouwelijk met Peter Post zat te onderhandelen over mijn deelname aan de zesdaagse, raakte ik in een bocht met mijn rechterpedaal (dat op mijn wegfiets iets lager zit dan op een baanfiets, een wijsheid die ik pas leerde toen het te laat was) de houten baan, sloeg met fiets en al over de kop en smakte met een doffe dreun op de baan neer, vlak voor de ogen van een tiental werknemers die op het middenterrein een tribune aan het opbouwen waren.

 

De rondjes die ik voor de camera reed waren opvallend beheerst van tempo, en van spectaculaire zwiepers in de bochten waarmee ik menig mooie vrouw tot nadenken had willen stemmen was in het geheel geen sprake meer.

 

De heko overleefde de val (op de beelden is te zien dat spatborden en verlichting er nog op zitten, dus die moeten later verloren zijn gegaan) en bleef tot Bobs dood in 1992 diens belangrijkste middel van vervoer.

 

Misschien dat iemand van het Literatuurmuseum toch eens de banden wil oppompen en het zadel wat lager wil zetten.